Select Page

Vogels Kijken

 

Het was al september maar voor de tijd van het jaar ongewoon warm. Het schooljaar was zojuist begonnen en ik besloot op het erf van mijn ouderlijk huis een vogeluitkijkhut te bouwen.

“Een vogeluitkijkhut “, schamperde mijn moeder aan de ontbijttafel: “Zou je die tijd en energie niet liever in je huiswerk voor bijvoorbeeld biologie steken?” Ik ging er niet op in. Ten eerste omdat mijn moeder bij alles waar ik in die tijd, tijd en energie wilde steken -en zoveel was dat niet tijdens mijn pubertijd- opperde of die respectievelijke tijd en energie niet beter in mijn schoolwerk gestoken zouden kunnen worden. Bovendien had ik dit schooljaar geen biologie meer. Maar ook dat hield ik voor me omdat ik het vervolg kon raden. Nee maar als je zou zijn overgegaan naar vier gymnasium dan… Ik zat niet in vier gym maar in vier havo. Voor de zomer blijven zitten wilde de school mij in geen geval laten doubleren, waarvoor achteraf overigens alle begrip. Ik wilde het eigenlijk zelf ook niet. Gisteren had ik boeken en rooster opgehaald, morgen zouden de lessen beginnen. Vandaag was ik vrij en wilde ik die boomhut bouwen. Daar had ik sloophout en gereedschap voor nodig en dat was het domein van mijn vader. Ik kon mijn moeder in deze dus veilig negeren.

“Loop na het ontbijt even mee naar de loods”, zei mijn vader: “Dan wijs ik je aan wat je kunt gebruiken.” “Waar wil je die hut eigenlijk bouwen?”, wilde mijn moeder nog weten maar toen stonden wij al bij de voordeur. Mijn vaders witte Ford Sierra stond op de oprijlaan. Mijn ouders hadden het huis drie jaar daarvoor gekocht in het voorjaar van 1980. Daarvoor woonden wij in Den Haag waar mijn charmante en goedmoedige maar tamelijk onbenullige vader werkte op het Ministerie van Defensie, Plein nr. 4. Het leger was voor hem qua carrière geen slechte keus geweest. Een leger produceert in vredestijd immers niets tastbaars en niets tastbaars produceren was mijn vader op het lijf geschreven. Zijn rang was indertijd majoor en omdat we beiden Thomas heetten, noemde hij mij meestal Junior en ik hem Major Tom, een mooie bijnaam alhoewel ik zelf in die tijd nog wat te jong was voor de muziek van Bowie. En toen gebeurde het ongelooflijke; hij (mijn vader niet Bowie) werd bevorderd tot luitenant-kolonel, aanspreektitel overste, en overgeplaatst naar West-Duitsland zoals dat toen nog heette. Wij moesten dus verhuizen.

Voor junior natuurlijk een ideale tijd, die gaat dan toch net naar de brugklas. Ik hoor het mijn moeder nog zeggen. En daarmee waren alle zorgen en problemen die mij en die verhuizing zouden kunnen betreffen wat haar betreft opgelost. Over mijn zus Merel die op dat moment halverwege het gymnasium was maakte zij zich meer zorgen. Daarbij kwam dat mijn moeder zelf onder geen enkel beding in Duitsland wenste te wonen. Haar geboortedatum en plaats, 14 mei 1940, Rotterdam, was voor haar voldoende argument. Mofrika zei ze echter niet, zulke dingen dacht mijn moeder alleen maar. Een compromis werd gezocht en gevonden in een klein dorp in het oosten van het land, ruim een uur rijden van mijn vaders nieuwe werkplek net over de grens. Onze gezamenlijke nieuwe school was in het dichtstbijzijnde IJsselstadje, een half uur fietsen.

Over het dorp – ik heb besloten de naam niet te noemen- kan ik kort zijn. Drie straten, één pleintje met een 4=6 supermarkt en een bijbehorende slijterij, zodat het overdreven zou zijn om van twee winkels te spreken, Een Nederlands Hervormde kerk, klaar. Wij woonden trouwens niet eens echt daar maar aan de doorgaande weg het dorp uit. De gemeente lag in het uiterste noorden van de provincie Gelderland, het beekje dat ons erf aan de noordkant begrensde was tevens de provinciegrens. Drie zomers terug had ik het als twaalfjarige heel leuk gevonden om vanaf eigen terrein in de beek te springen, anderhalve slag te zwemmen en dan in Overijssel weer aan land te klimmen. Drie jaar later nu ik vijftien was, was het vermaak daarvan wat verbleekt, naar je waarschijnlijk wel van me wilt aannemen.

Aan die kant van het erf lag mijn vaders loods waar wij nu naar op weg waren. Maar eerst wil ik je iets meer over het huis vertellen.

Dat was een rechthoek; massief, wit gepleisterd met zwaar donkerbruin houtwerk en een hoog rood pannendak. Achter de brede donkergroene voordeur, van die verf waar je jezelf in gespiegeld ziet, was een garderobe waar pa zijn officiersjas en -pet altijd hingen met daarachter een veel grotere hal waar mijn moeders piano stond. Twee enorme woonkamers plus serre. De hoofdkeuken waar de dagelijkse eettafel stond en zo’n onduidelijke ruimte die bijkeuken wordt genoemd en waar je eerst doorheen moest om bij de achterdeur, die wij altijd gebruikten te komen. Op de eerste verdieping twee badkamers, vier slaapkamers, op elke hoek één. Mijn zus en ik kregen de kamers aan de achterzijde van het huis, ik boven de bijkeuken, noordoost, zij boven de serre, zuidoost. De kamers aan de voorzijde waren nog groter. De ruimte voor de zoldertrap ging van de kinderkamers af. In de ene sliepen mijn ouders, noordwest boven de keuken, de ander was de werkkamer van mijn vader, zuidwest boven de woonkamer. Die kamer zat overdag altijd op slot. De officiële verklaring hiervoor luidde dat de overste wel eens papierwerk van de kazerne meenam, stukken die natuurlijk niet in handen van de Russen mochten vallen. De werkelijkheid was dat het de enige plek in huis was waar hij van mijn moeder zijn stinkpijp mocht roken. Verder verstopte hij er een deel van zijn drank. Mijn vader was alcoholist.

Om het huis heen vier hectare land, een achtertuin met schuur, voor het huis de paardenwei met stal van mijn zus voor haar paard. Zij had de verhuizing destijds beter uit onderhandeld met onze ouders dan ik -Ik had het met een elektrische gitaar moeten doen- en dan verder naar het noorden velden. De rest was grotendeels bos, zowel naald- als loofbomen. Verder stonden er over het terrein verspreid drie gelijkvormige loodsen waarvan mijn vader er nu één met een grote sleutel aan het ontgrendelen was . “Je kunt dat hout rechts achterin gebruiken. Gereedschap weet je te liggen, maar ruim het wel weer op na afloop.” “Ja we zouden hier geen rommel willen, niet?”, mompelde ik terwijl ik in het halfduister de talloze onaffe bouw- en knutselprojecten van mijn vader probeerde te ontwijken. “Het blijft wel mijn loods he”, zei de luitenant-kolonel terwijl hij zich op zijn hakken omdraaide. Even later hoorde ik zijn Ford in de verte starten en wist ik dat ik alleen was.

De loodsen, ik zei het al, er waren er drie op het terrein. Toen mijn ouders het huis kochten waren het kippenschuren en ook nog als zodanig in bedrijf. In iedere schuur zaten als ik mij goed herinner, maar ik ben slecht met getallen, tweeduizend kippen, witte hennen gehouden voor de eierproductie. Papa had die er, in de voor hem zo typerende combinatie van naïef tijdelijk enthousiasme en van zijn gezond niet af weten, bij gekocht. Niet dat hij van plan was zelf voor dag en dauw eieren te gaan lopen rapen. Het eigenlijke werk werd al sinds jaar en dag gedaan door een oudere dorpeling meneer Diepeveen. We kregen er dus eigenlijk een eigen horige bij. Meneer Diepeveen droeg een hoornen bril en had een witte kuif met daaronder een kop zo rood als één van zijn eigen -voor mij bleven het altijd de zijne- kippen. Hij droeg op het erf altijd een grijzen stofjas om zijn broodmagere lijf en was ouderling bij de Hervormde Kerk in het dorp. In no-time was er een conflict met mijn vader en spoedig daarna waren de kippen van de een op de andere dag uit de loodsen verdwenen. Mijn moeder, zakelijker ingesteld dan mijn vader, zocht en vond een herbestemming.

Loods één werd verhuurd aan een veel jongere broer van meneer Diepeveen. Die heette Theo en hij gebruikte de ruimte om kano’s te bouwen en kleine roei- en zeilboten op te knappen. Zijn loods, door mijn vader steevast het marine-depot genoemd, lag nog net in het zicht van het huis en was iets groter dan de andere twee omdat een aparte voorruimte ooit had gediend als centrale eierverzamelplaats. Daardoor leek hij nog smaller en langwerpiger dan de andere twee. Ze leken alle drie op barakken en waren één verdieping hoog opgetrokken uit van die enorme witte kalkstenen die in verhouding tot hun maat haast niets wegen. Een lange rij al even langwerpige en altijd stoffig vieze raampjes onder een puntdak van bruine pannen met uitzondering van loods twee die om onbekende redenen van een golfplaten puntdak voorzien was.

Onder dat dak bewaarde mijn vader een ware uitdragerij aan kapotte spullen; afgedankt leger materiaal, op te knappen meubelen, fietsen, elektra en verf, dakpannen en ander bouwmateriaal, rollen prikkeldraad en sloophout in alle soorten en maten. Bij een vorig clandistien bezoek -ik was eigenlijk op zoek naar drank- had ik de verrekijker gevonden, een leger exemplaar dat na enkel afgestoft te zijn nog prima bleek te werken. En als ik die verrekijker niet had gehad, zou ik ook nooit op het idee zijn gekomen vogels te gaan kijken. Nu zocht ik drie balkjes en een kleine stapel platte plankjes om daarop te spijkeren, een hamer en een doos grote spijkers. Verder zou ik om de eerste keer de boom in te kunnen de grote aluminium ladder nodig hebben die ik daar niet ter plekke kon laten staan. Het plan was te wachten tot ook mijn moeder vertrokken zou zijn naar haar afspraak, dan de hut te bouwen om vervolgens de aluminium ladder te vervangen voor een touwladder die ik tussen Theo’s spullen had zien liggen en die ik vanmiddag van hem hoopte te lenen.

Daarom verborg ik in eerste instantie alles achter de oude Opel Diplomat die scheef voor mijn vaders loods geparkeerd stond onder de door hem scheef aangebouwde carport, lees afdakje. Van alle hersenschimmige onaffe projecten van mijn vader was de Diplomat verreweg de meest helase. Hij had het ding gevonden toen hij net in Duitsland gestationeerd was. Zes cilinders, 2800 cc, dus niet de V8 5,4 liter uitvoering maar toch! Wit met een vinyl dak van oorsprong zwart inmiddels groen uitgeslagen en gekocht in een impuls -joh!- als opknapproject. Ik had me er wel in zien rijden op mijn 18e, een paar meiden uit het dorp op de achterbank en gaan met die banaan, naar….ik weet het niet een concert van Normaal of zo. Voorlopig gebruikte ik die achterbank om stiekem te roken en verborg ik er mijn geheime stash, een pakje Judo drie-kwart shag, vloeitjes en een aansteker en zo’n apparaatje om shagjes, geen filtersigaretten!, te rollen. Verder had ik er een glazen fles morsdode coca cola aangevuld met een flinke scheut jenever die ik uit pa’s geheime voorraad had ontvreemd. Ik weet niet of hij wist dat ik hem al op heel jonge leeftijd meehielp met zijn drankvoorraad, hij kon er trouwens toch niets van zeggen zonder zichzelf bloot te geven. Verder bewaarde ik er twee inmiddels volslagen suf gerukte sexboekjes, een oude Chick en de Seventeen Special Schoolgirl volume 5. Die boekjes had ik drie jaar eerder gekregen van mijn straatvriend Robbie bij mijn Haagse afscheid. “Neem mee pik, kan jij de komende jaren je rug aan gort sjorren in die kale kutbossen daarzo”. Robbie had een vooruitziende blik gehad. Voor nu rookte ik echter een shagje en nam een paar kleine teugen uit die lauwe fles. Daarna keek ik op mijn horloge. Vijf voor negen, de kust zou veilig moeten zijn. Ik drukte mijn peuk uit in het kleine overvolle asbakje achter de passagiersstoel, deed het portier open en liet me in het hoge droge gras glijden. Daar begon ik al het hout en gereedschap bijeen te zoeken en versleepte het geheel naar de uiterste westrand van ons erf, daar waar tegen het prikkeldraad, dat ons terrein afscheidde van dat van boer Offereins een enorme oude beuk stond, schuin tegenover de ingang van de derde loods; het vakantiehuisje.

Het vakantiehuisje, moeder sprak consequent van gastenverblijf, was grotendeels haar idee en project geweest. Na de deportatie van het pluimvee daar was de kippenstront en stank grondig weg geboend en daarna was zij gaan inrichten. Een scheidingswandje achterin had twee slaapkamers opgeleverd, de linker met een zo smal mogelijk tweepersoonsbed waar je desondanks nog maar nauwelijks omheen kon gaan, de rechter met een stapelbed, een kast voor linnen en kleding en een opklapbedje voor een klein kind. Aan de voorkant was een dergelijke tweedeling alleen dan met een gangetje ertussen. Aan je rechterhand een nisje met kapstok, dan twee deuren; WC en badkamer. Aan je linkerhand was de keuken die geen deur had maar open aansloot op het woongedeelte, twee banken, een salontafel en een spelletjes- en boekenkastje, alles in jaren 70 bruin en oranje, dat het midden van de barak in beslag nam. In de keuken stond een koelkast, een elektrisch oventje en een elektrische kookplaat. De aggregaat die mijn vader hiervoor geregeld had deed zijn werk naar behoren., maar de warmwatervoorziening bleef de achilleshiel van het geheel. Op de keuken- en badkamerkraan stond zo goed als geen druk, en de armetierige geiser in het Spartaanse badkamertje gaf bij het douchen de keuze uit vijftien gloeiende druppels per minuut of een ronduit koude plens, waaraan mijn vader regelmatig beloofde iets te zullen doen.

Het vakantiehuisje en de directe omgeving waren voor mijn zus en mij verboden gebied. Wij mochten de rust en de privacy van onze vakantiegangers niet verstoren, een regel die door mijn vader nogal eens werd gebroken wanneer hij ’s-avonds nog een blokje om ging om als een overijverige eekhoorn zijn drankvoorraad te inspecteren die her en der over het erf verstopt lag en waarbij hij geregeld veel te laat naar mijn moeders zin en met een stuk in zijn kraag huiswaarts keerde omdat hij naar eigen zeggen nog even een praatje met de gasten had gemaakt. Mijn moeder geneerde zich dood. Een gêne die wij kinderen moesten overcompenseren door ons strikt afzijdig van de gasten te houden, een regel waaraan wij ons makkelijk konden houden want mijn ouders hadden tamelijk saaie kennissen. Dit met uitzondering van de Haagse militaire vrienden van mijn vader met Indische connecties. Die brachten nog wel eens vrouwvolk mee naar ons vakantiehuisje met wie nadere kennismaking mijn inziens niet geheel ongewenst was.

Eén luchtmacht vriend van mijn vader had een dochter Anoushka die zelfs tijdelijk door het cordon sanitaire van mijn moeder heen gebroken was omdat ze paard reed samen met Merel. Anoushka te paard met gitzwarte haren onder haar cap en in een hele smalle strakke rijbroek bezorgde mij nog lang mijn avondlijke puberale fantasieën. Een fijne afwisseling voor als ik weer eens volstrekt suf gerukt was op Monique (18) uit de Seventeen Special Schoolgirl volume 5, die op de boerderij woonde, onder haar overall een lichtblauw badstoffen onderbroekje droeg (foto 1 en 2) en die naar eigen zeggen en in vier talen ’s-morgens bij het melken aan niets anders kon denken dan aan geile jongenshanden in haar rijk behaarde spleetje (foto 5 en 6) achterin de oude Opel Diplomat die -moet ik het er nog bij vertellen?- natuurlijk nooit meer gereden heeft. Toen mijn ouders na vaders pensionering in 1990, -hij was zestig, eindrang kolonel- de flat in Bezuidenhout kochten, waar hij al drie jaar later geruisloos in zijn slaap aan een hartaanval overleed en waar mijn moeder nog steeds woont, zaten zelfs de originele wit-zwarte Keulse kentekenplaten er nog op. Hij had het ding zelfs nooit fatsoenlijk geïmporteerd. Ik had trouwens wel één van die platen willen hebben als souvenir, maar laat ik niet afdwalen.

Het vakantiehuisje dus waar tegenover ik nu balkje voor balkje omhoog de beuk in sleepte om in een uur tijd een klein platformpje te timmeren, driehoekig en nauwelijks groter dan één vierkante meter, maar meer had ik voor mijn missie niet nodig. Er was trouwens nog een reden dat Merel en mij gemaand werd zo min mogelijk met vreemden over ons vakantiehuisje te praten. Mijn ouders naaste familie en vrienden logeerden daar gratis, maar de vrienden en kennissen daar weer van betaalden natuurlijk huur. Het was een vast ritueel op de zondagmorgen; afscheidskoffie met de vakantiegangers aan de grote keukentafel waarbij de gasten -ze hadden allemaal altijd eekhoorns gezien- de bruine bankbiljetten met daarop de zeeschuimer Michiel de Ruyter over tafel schoven, die mijn moeder vervolgens in een speciale portemonnee wegborg, een ritueel waarbij de kinderen meestentijds geweerd werden. Merel en ik dronken koffie en ontbeten laat op zondag als we de gasten van die week hadden horen vertrekken. Van dat geld behoefde de fiscus natuurlijk niets te weten, vandaar de discretie, vandaar de naam gastenverblijf. De biljetten van honderd doken vervolgens regelmatig op in mijn vaders portemonnee. Bij de grote boodschappen die we op zaterdagochtend vaak samen in het dorp deden, zag ik hem er regelmatig de slijter mee betalen. En daar ik mag aannemen dat hij daar gewoon zijn accijnzen over betaalde, kunnen we rustig stellen dat ook in dit verhaal -zoals in ieder- de belastingdienst uiteindelijk gewoon aan het langste eind trok.

Nu de zomervakantie voorbij was stond het vakantiehuisje leeg. Maar over twee dagen kregen we gasten voor het weekend. Zus Merel had het gymnasium deze zomer, nog voor haar achttiende verjaardag verlaten en liep nu introductiedagen in Utrecht waar zij spoedig zou aanvangen met haar studie medische biologie, na eerst uitgeloot te zijn voor diergeneeskunde. Omdat paardrijden, haar grote passie in het centrum van Utrecht geen optie leek, besloot zij te gaan roeien. Merel maakte snel en makkelijk vrienden, een trekje van mijn vader maar gelukkig voor haar had ze de doortastendheid van mijn moeder. Binnen een dag had ze onder de nieuwe studentes vier meisjes gevonden om een team mee te vormen, een vier met stuurvrouw. En die boot zou aankomend weekend in ons vakantiehuisje verblijven om elkaar beter te leren kennen en zodat Merel -altijd praktisch ingesteld- meteen een paar wassen kon draaien in het grote huis.

Daarom timmerde ik zo vlijtig aan mijn vogeluitkijkpost. Een magnifieke plek, een meter of acht boven de grond, precies op de grens van bos- en weideland, met uiterst rechts de Dortherbeek en daarachter het vijandig Overijssel. Bos-, weide- en watervogels. Zou ik mijn lichaam en verrekijker echter 180 graden draaien dan keek ik, in een trouwens knap lastige hoek langs de rechterkant van de boomstam, precies op het huisje, en nog preciezer op het langwerpige bovenraam van de badkamer. Een badkamer waarvan ik wist dat er al twee jaar een zwart-wit gestreept en door mijn moeder aangeschaft douchegordijn opgevouwen op de betonnen vloer lag. De reden dat het niet hing, was dat mijn vader beloofd had de bijbehorende beugel eerst op maat te maken -het was maar een akelig klein badkamertje- maar daar nog niet aan toegekomen was. En dat betekende ook dat ik vanuit mijn vogelhut met de verrekijker vrij zicht op die douche had. En ook studentes moeten zich wel eens wassen niet waar?

Het timmeren was uiteindelijk zo gebeurd en daarna kon ik de werkzaamheden verder gaan afronden. Eerst de ladders wisselen. Ik had Theo’s besteleend – hij was er altijd op woensdag- inmiddels het erf op horen draaien en hij had geen bezwaar. “Na het weekend heb je hem terug, Theo”. “Is goed, geen haast.” Hij was gelukkig ook niet nieuwsgierig naar waar ik hem voor wilde gebruiken. Nadat ik de touwladder bevestigd had, kon ik de grote aluminium ladder terug sjouwen naar loods 2. En omdat het raampje van de badkamer tamelijk stoffig was wilde ik dat nog even schoonmaken met een doekje spiritus. Dus nam ik een fles uit loods twee mee naar het vakantiehuisje die na opening zo verdacht veel naar oude klare rook dat ik besloot het restant zo bij mijn cola te schenken, zodat ik een voorraadje voor komend weekend zou hebben. Maar je kunt er dus ook ruitjes mee schoonvegen weet ik nu uit ervaring. De buitenkant althans want aan de binnenkant, die ook best een poetsbeurt kon gebruiken, kon ik niet komen. Het gastenverblijf zat altijd op slot en deze sleutel beheerde mijn moeder dus daar kon ik met geen mogelijkheid bij.

Verder hoopte ik maar dat één blinkend ruitje in een rij van acht stoffige niet te veel zou opvallen. De jeneverlucht zou overmorgen echt wel vervluchtigd zijn. Wel had ik inmiddels twee zwakkere schakels ontdekt in het hele vogelkijkproject. Allereerst stak het platformpje dat ik had getimmerd uit, rechts (voor hen links), achter de dikke boomstam. Dat kon niet anders omdat ik me al half om de boom heen moest buigen om het badkamerraam goed in het vizier te kunnen krijgen. Maar zichtbaar was het, zelfs onbemand. In het donker leek mij echter niet veel te kunnen gebeuren. Meer zorgen baarde mij de touwladder. Die was zes meter lang, dus moest ik eerst een flinke sprong maken om me aan de onderste sport die zich ruim twee meter boven de grond bevond op te hijsen. Dat lukte, ik was licht en lenig genoeg in die dagen, maar waar ik stom genoeg niet aan gedacht had was dat die ladder daar wel onbeheerd zou moeten blijven hangen op de momenten dat ik niet in de boom verbleef. Zolang ik boven was kon ik de touwladder veilig binnenhalen, en precies nog naast mij op het plateautje plaatsen. Maar om daar überhaupt te kunnen komen, moest die touwladder daar natuurlijk wel eerst hangen. Ik stelde mij gerust met de gedachte dat de oude beuk op de uiterste rand van ons erf stond, met daarachter meteen prikkeldraad, de velden van Offereins en verder dichte en lage begroeiing met nogal wat brandnetels. Wat zouden Merel’s vriendinnen daar te zoeken hebben? En verder hoopte ik op weinig wind. Het liep tegen de middag toen ik alles in loods 2 weer op zijn plek had; ladder, gereedschap, overgebleven spijkers en de inmiddels lege fles spiritus. Als laatste sloot ik de Opel Diplomat af, hing de autosleutels terug aan het haakje bij de deur en deed de loods op slot. Tijd voor een boterham. Het grote aftellen kon beginnen.

Twee dagen later sloot ik mijn eerste halve lesweek in havo-4 af op vrijdagmiddag het zevende uur met een nieuw vak handelsrekenen, wat een boutvak was dat. Daarna fietste ik in blijde afwachting naar huis. De vogeluitkijkhut had ik gisteren voor het laatst geïnspecteerd; verrekijker, rookwaar, drank en proviand lagen al veilig boven. Het spektakel kon beginnen. Een uur later was het zover en het moet gezegd de aankomst was veelbelovend. Even over vijf draaide een enorme Citroën CX Break, zilvergrijs en met de naam van een audiobedrijf uit Hilversum op de zijkant onze oprijlaan op om precies voor de brede groene voordeur te stoppen. In die stationwagon pasten vijf roeimeiden en een enorme berg bagage achter de achterbank. De bestuurster stapte als eerste uit. Ze was een beetje het zelfde type als mijn zus Merel, haar dat bleef twijfelen of het nou rood of blond moest zijn, koele licht ironische grijs blauwe ogen en een bleke huid met sproeten. Wel was zij veel tengerder gebouwd en ook een stuk kleiner dan mijn zus. En omdat zij haar haar kort droeg was zij veel meer een jongensmeisje dan dat Merel ooit had kunnen zijn.

Het viel al snel op dat zij een soort leidersrol vervulde en uit de latere gesprekken aan tafel begreep ik waarom. Zij was tweedejaars en al een jaar lid van Neptunes. Het eerste jaar had ze een skiff geroeid -ik ben nogal een eigenheimer- in de nieuwe boot zou zij voornamelijk stuurvrouw zijn -ik ben ook best lui- . Verder had zij als enige in het clubje haar rijbewijs. De Citroën was een bedrijfsauto uit het bedrijf van haar vader die zij voor het weekend had mogen lenen. Ook dat verhoogde duidelijk haar status in het groepje, dat verder allemaal net als Merel vers van de middelbare school kwam. Toen zij ook nog Mees bleek te heten was mijn vogelthema compleet en zo kregen de anderen hun bijnaam.

Selma kwam van de passagiersstoel die ze waarschijnlijk had gekregen omdat ze verreweg de langste was uit de boot, 1 meter 83, mijn moeder vraagt zulke dingen gewoon. Ook was zij de enige in het gezelschap die een jurk droeg, een rode afgezet met witte kant. Selma had een Turkse hoogleraar als vader en een Nederlandse moeder. Met haar ravenzwarte lange krullende haar, het gebronsde gezicht, de grote donkerbruine ogen, mascara en haar scherpe neus leek zij mij zo weggelopen te zijn uit duizend en één nacht maar ze was opgegroeid in Enschede. Ik besloot haar liefkozend Kraaitje te noemen.

Links op de achterbank had Aimée gezeten, een brunette met donkerblauwe ogen en een in ieder opzicht normaal postuur. Zij maakt de meest studentikoze, lees bekakte indruk op mij. Aimée werd Zwaluw. Vervolgens kwam Marieke tevoorschijn een kleine mollige goedlachse blondine met grote borsten onder een witte sweater met capuchon en een dikke platte kont in haar spijkerbroek. Marieke had van die zachte mollige wittebroods onderarmen. Zij werd nogal oneerbiedig Gansje. Merel die natuurlijk haar hele leven al Merel was, had in het midden van de achterbank gezeten. Zij kwam als laatste uit de auto om de ouders te begroeten en te zoenen.

Daarna liet ik me schaapachtig als het broertje van… voorstellen aan de meisjes: Mees, Selma, Aimée, Marieke; Mees, Kraai, Zwaluw en Gans. Ik had voor de gelegenheid zelfs mijn schone t-shirt van The Police, ‘Ghost in the Machine’ met de blauw-geel-rode strepen aangetrokken en mijn moeder hield er godzijdank een keer haar bek over dicht. Moeder had tevens bedongen dat de hele bups -haar woorden- de eerste avond in het grote huis mee zou eten. Dat gaf haar gelegenheid dochterlief uit te horen over de introductietijd in Utrecht en tegelijkertijd stilzwijgend haar nieuwe roeivriendinnetjes te keuren. Bij militaire traditie aten wij op vrijdag bijna altijd nasi en ere wie ere toekomt dat kookte mijn moeder uitstekend. Aan tafel praatten de meisjes honderduit. Mijn vader maakte een belegen grap over blauwe hap en ook ik beperkte mij tot wat algemeenheden met Zwaluw en Gans -die had natuurlijk bij het uitladen al eekhoorntjes gezien, zo schattig!- die het dichtst bij mij zaten.

Na het eten trokken de vrouwen zich terug in de woonkamer met thee en koffie en deden de mannen de afwas, een andere familietraditie. Vader waste altijd af en ik droogde, een taakverdeling die ons beiden uitkwam. Ik droogde liever dan dat ik waste en hij wilde altijd eerst de afwas ‘voorbereiden’ wat er op neer kwam dat hij dan ongestoord eerst zijn eerste vergrote avondborrel kon mixen en wegwerken alvorens de afwasbak te vullen. Dat kostte minstens een kwartier en dus ging ik eerst nog naar mijn eigen kamer, waar ik mijn versterker vol open zette en zo hard mogelijk de paar Pink Floyd riffs -you got a guitar to punish your ma*- naspeelde die ik het afgelopen jaar maar moeizaam onder de knie had gekregen. Misschien maakte het indruk op de meisjes en anders zou het op zijn minst mijn moeder storen, toch ook een mooie bonus. Daarna deden wij de afwas en omdat ik al lang begrepen had dat mijn aanwezigheid verder niet bijzonder werd gewenst, vertrok ik meteen daarna opnieuw naar boven om platen te draaien.

Even over negenen zag ik door het grote raam op de gang recht boven de voordeur, dat de meiden bezig waren de rest van de CX -gastenauto’s bleven altijd bij de ingang staan op een speciaal daarvoor gereserveerde plek, het bospad naar loods 3 was niet geschikt voor autoverkeer- leeg te halen, en zich onder leiding van mijn zus te voet richting het vakantiehuisje begaven. Merel liep voorop met alleen de zware legerzaklamp van mijn vader in haar hand. Om bij te schijnen, want het was inmiddels zo goed als donker. Toen zij uit het zicht verdwenen waren, zette ik mijn muziek een stuk zachter, omdat ik Merel’s terugkeer niet wilde missen. Zij zou immers in haar eigen kamer de nacht doorbrengen en ik wilde pas vertrekken als zij er weer zou zijn. Ik wilde niet het risico nemen haar ’s-avonds buiten tegen te komen. Dat duurde uiteindelijk nog ruim twee uur. Pas over elven hoorde ik de achterdeur dichtslaan en even later hoorde ik ook Merel’s voetstappen op de trap. Ik wachtte voor de zekerheid nog tien minuten, waarna ik mijn slaapkamerraam opende, de regenpijp vastgreep en me langs het raam van de bijkeuken waar nooit iemand kwam en ik dus nooit betrapt zou worden, naar beneden gleed in het hoog opgeschoten gras van de achtertuin .Ik rondde het huis rechtsom, stak zo snel mogelijk het knarsende grint van de oprijlaan van het grote huis over, en dook weg achter de eerste dennenboom van het bospad richting loods 3. Vanaf dat moment wist ik dat ik vanuit het grote huis niet meer gezien kon worden en in een mum van tijd, een zaklamp had ik op eigen terrein niet nodig, stond ik aan de voet van de oude beuk.

Er brandde nog licht in het middengedeelte van de voormalige kippenbarak, de woonkamer. Zij waren dus nog op, en ik klom omhoog en installeerde mij op mijn vogeluitkijkplaats. ‘Much ado ‘bout nothing’, schreef een bekende oude Engelse dichter ooit, en die eerste avond zag ik uiteindelijk niet meer dan wat ik ook had kunnen zien in de kwartaalfolder van de Hunkemöller, waarbij de eerlijkheid wel gebiedt te zeggen dat ik van die brochure toentertijd ook in enkele seconden een enorme stijve piemel kon krijgen.

Zwaluw heb ik het hele weekend zelfs nooit in de badkamer gezien. Ik wil haar niet van viespeukerij betichten. Ze leek mij een heel proper meisje. Waarschijnlijk waste zij zich op tijdstippen dat ik niet in mijn boom zat. En dat was natuurlijk meteen de echte grote zwakte in mijn hele vogelkijkidee. Kijk als vier jonge studentes een heel weekend bij elkaar in een vakantiehuisje zitten, kun je er vrij zeker van zijn dat één van hen wel eens zal gaan douchen. Maar WANNEER!, daar valt op geen enkele manier zekerheid over te verkrijgen, en die eerste avond bleek zo laat op de avond uiteindelijk geen van de dames meer douchelustig te zijn. Bovendien vertelde ik al dat ik me een akelig eind naar rechts moest buigen, een noodzaak om zelf grotendeels onzichtbaar te blijven, om überhaupt iets door het badkamerraam te kunnen zien. Geen erg comfortabele positie voor ontspannen erotisch solo genot, en al helemaal niet als je het uitvoert op acht meter hoogte, zonder vangnet in een stikdonkere nacht die met de minuut killer aanvoelde ondanks de zonnige dagen.

Geen positie dus om de Kama Sutra te halen, sterker nog, een positie die ik ondanks mijn jeugdige lenigheid maar enkele minuten onafgebroken vol wist te houden. Het kwam er op neer dat ik meestentijds ruggelings tegen de stam van de beuk shagjes zat te roken, het gezicht richting boer Offereins, één hand gebold over het vuurpuntje, want dat weet iedere jongen die wel eens een oorlogsboek heeft gelezen. Verder vermaakte ik mij met een fantasie-spelletje dat ik kamertje indelen noemde en waarbij ik in gedachten midden op het tweepersoonsbed zo’n acht meter beneden mij lag met Mees aan mijn linker- en Kraaitje aan mijn rechterzijde. Zwaluw en Gans konden wachten in het stapelbed, Zwaluw boven en Gans met haar dikke kont in de beneden kooi, als op de reservebank voor het geval dat ik later in de wedstrijd nog reservespeelsters wilde inbrengen. Je moet vooral groot dromen als je als puber midden in de nacht hoog in een boom zit kou te kleumen. Verder draaide ik mij zo’n beetje iedere tien minuten om, om te controleren of er al iets in de situatie rondom het huisje veranderde. Ik rekende er in het duister op dat ik ook zonder verrekijker zou bemerken wanneer het licht in de badkamer aan zou gaan. Al snel had ik geluk maar dat bleek bij nader inzien loos alarm. Het licht dat aan ging was niet achter het derde maar achter het tweede raampje van links, de WC. Wat daar gebeurde kon ik met geen mogelijkheid zien, die hoek had ik stomweg niet, en had ik hem wel gehad dan had ik er hier waarschijnlijk over gezwegen.

Zo moet ik zeker anderhalf, twee uur gezeten hebben, toen mijn aandacht plotseling getrokken werd niet door mijn ogen maar door mijn oren. Ik hoorde de voordeur van het vakantiehuisje open gaan en meteen daarna hoorde ik de gedempte stemmen van Mees en Kraai op het terras. Zij waren duidelijk iets aan het weggooien, ik hoorde het droge gerinkel van lege wijnflessen en ook hoorde ik de vuilnisbak -die stond om hygiënische reden buiten- meerdere malen open- en dichtgaan. Ha dacht ik; opruimen, die gaan zo naar bed en onmiddellijk klaarwakker nam ik mijn positie met verrekijker weer in. Vrijwel meteen daarna ging het licht in de badkamer aan.

Het was Selma, Kraaitje, die voor de spiegel en de wastafel stond en zij was al in nachtkleding; een zwart hemdje met spaghetti-bandjes. Ik zag dat ze geen bh meer droeg, haar borsten leken voller te zijn en ook net iets lager te zitten. Het meest opwindend waren de twee kleine puntjes in de stof aan de voorkant van het hemdje, daar waar haar tepels moesten zijn. Ze had hele lang goudbruine armen en hield in haar rechterhand een klein tasje vast waaruit een klein flesje en een watje tevoorschijn kwamen. De kraai ging zich uitgebreid afschminken waarbij ze rare gezichten in de spiegel trok. Ik liet de verrekijker een klein stukje zakken, via haar ruggengraat naar haar billen in een zwart satijnen wijde pyjamabroek, rode roosjes in de print. Haar heupen waren breder, haar billen groter dan ik me had voorgesteld onder de rode jurk van vanmiddag. Of ze onder die pyjamabroek een slipje droeg kon ik niet zien. Kraai was inmiddels klaar met haar make-up en nam een tandenborstel uit haar toilettas. Ze poetste langzaam en zorgvuldig en al die tijd deinden haar borsten zachtjes mee op het ritme van de borstel. En toen was het voorbij. Kraai spoelde haar mond, draaide zich om, knipte het kale peertje van de badkamer uit en verdween in de gang.

Meteen daarna kwam Mees binnen. Zij droeg een wit t-shirt van de roeivereniging, twee spanen, één naar boven op haar linkerborst, de andere naar beneden rechtsonder op het t-shirt. Op de rug de naam: U.S.R.V. Neptunes, alles uitgevoerd in donkerblauw. Het eerste wat Mees deed was twee tabletten slikken met een slok water. Daarna stak zij haar handen ruggelings onder haar t-shirt en begon aan haar rug te frunniken. Waarom? Maar al snel had ik dat door. Mees maakte onder haar shirt haar bh los, liet de bandjes behendig over haar armen glijden om vervolgens het beoogde kledingstuk met een ferme ruk aan de voorkant onder haar t-shirt uit te trekken. De bh was klein, glad en donkerblauw. Het leek even alsof ze hem in triomf omhoog hield voor het badkamerraam. Huup huup barbatruc maar ik had het liever anders gezien. Wat echter veel goedmaakte was het feit dat zij geen pyjamabroek droeg. Onder het t-shirt dat godzijdank kort was zag ik een halve centimeter blote onderrug en haar ronde stevige billetjes in een wit katoenen onderbroekje met hele kleine blauwe bolletjes, of hartjes erop, zo scherp kreeg ik de verrekijker net niet. Tijdens het tanden poetsen bewogen die even mooi heen en weer als de borsten van Kraaitje minuten daarvoor. Wel poetste Mees een stuk sneller en vlak daarna verdween ook zij door de deur. Het badkamerlicht liet zij branden en ik probeerde even op adem te komen maar kreeg daarvoor nauwelijks gelegenheid want daar waggelde de Gans al binnen.

Gansje maakte onder het harde licht van het kale peertje een licht ongefocuste indruk. Ik denk dat ze aangeschoten was. Wat veel interessanter was, was dat zij haar spijkerbroek nog aan had maar haar sweater met capuchon die ze bij aankomst had gedragen al uitgegooid had. Ik stelde mijn verrekijker voorzichtig nog wat scherper op de imposante witte rug van de Gans en zag van de zijkant haar enorme borsten gehulde in een eveneens enorme gifgroene bh waar zij nog aan alle kanten leken uit te puilen. En toen was alles al weer voorbij. Gansje reinigde haar snavel met drie obligate halen, spuugde de wasbak vol, en toonde nog een keer die gifgroene band met sluiting op haar rug. Meteen daarna was het donker. Ik denk dat ze al met al nog geen halve minuut in die badkamer was.

Ik zette mijn rug tegen de boom en rookte mijn laatste voorgedraaide sigaret. Het badkamerraam bleef donker. Ik wachtte nog een minuut of wat en besloot toen de Zwaluw te laten vliegen. Zo geruisloos mogelijk liet ik de touwladder zakken en overal stijf, lees dit vooral letterlijk, kroop ik omlaag om minuten later via de regenpijp achter het grote huis weer omhoog te klimmen. Het was half twee geweest toen ik in bed kroop waar ik mij in enkele seconden ontlaadde in het oude witte t-shirt dat ik speciaal voor dat doeleinde onder mijn matras bewaarde en viel onmiddellijk in een peilloos diepe slaap waarin ik droomde dat ik van mijn schotje lazerde en in de plaatselijke courant verscheen onder de kop: ‘jongen (15) dood na val uit boom in poging tot het bespieden van naakte vrouwen.’ Maar gelukkig kon mij niets gebeuren omdat alle meisjes uit het dorp hun hoofdkussen onder de oude beuk hadden opgestapeld en ik heerlijk zacht landde, waarna zij mij als de nieuwe koning van Katoren door het dorp voerde, en daarna viel ik opnieuw, maar nu kwam Kraaitje, vogellijf, Selma gezicht me redden in haar vleugels en zij zette mij zachtjes op de grond en overdekte mij met natte zoenen. De wekker vergat ik te zetten.

Natuurlijk versliep ik mij die volgende morgen. Wat wil je met zulke dromen? Het was kwart over negen toen ik wakker werd, de zon was al op. Ik vreesde dat het te laat en te licht zou zijn om nog naar de vogelhut te gaan voor de eventuele douchebeurten voor of na het ontbijt en toen ik even later buiten keek zag ik dat zelfs de Citroën al vertrokken was. Vroege vogels, dacht ik maar het bezwaarde mij niet echt. Ik had mij rijk gerekend voor die middag en ging er van uit dat ik dan een veel betere herkansing zou krijgen.

Tijdens het eten de vorige avond had mijn moeder uitgebreid geïnformeerd naar de plannen van mijn zus voor het weekend en ik had scherp meegeluisterd. Ik had begrepen dat zij zaterdag bijtijds wilde opstaan -waarvan acte- om boodschappen te gaan doen in de grote supermarkt voor de lunch en ’s-avonds voor een barbecue bij het huisje. Daarbij zou Merel hen meteen iets laten zien van het suffe IJssel stadje waar zij de afgelopen drie jaar school gegaan had en ik nog altijd ging. In de middag wilde Merel haar vriendinnen meenemen naar de manege aan de andere kant van het dorp -Merel’s tweede huis en toevluchtsoord voor haar drie jaar lange gedwongen deportatie naar het platte land- om met hen te gaan paardrijden. Alleen Kraaitje gaf op voorhand al aan in ieder geval niet zelf te gaan rijden omdat zij naar eigen zeggen, doodsbang voor paarden was. Ik vond haar meteen nog leuker.

Ik heb het namelijk ook niet op paarden. Ik kan niet zeggen dat ik doodsbang voor ze ben, hoewel ik me ook nooit echt helemaal op mijn gemak voel in hun gezelschap. Ze zijn zo groot. Maar ik zal je als typisch stadmens die noodgedwongen zijn tienertijd in een dorpje heeft doorgebracht iets anders over paarden vertellen. Paarden meuren! En niet zo’n beetje ook! Paarden stinken een uur in de wind naar paard en als jij een paar uur op een manege bent, of je nu rijdt of niet, dan stink jij precies als een paard. Hoe ze het voor elkaar krijgen is me een raadsel maar je haar, je huid, je kleding, je schoenen en je sokken alles vergeven van de paarden-meur. Ik verafschuw die lucht. Had ik er tegen gekund, was ik wel vaker op de manege geweest waar veel leukere meisjes kwamen dan bij de andere vaste ontmoetingsstek in het dorp de kerk van meneer Diepeveen. Als je tenminste tegen vrouwen kunt die permanent een beetje naar paard ruiken, ik niet. Het grappige was dat mijn vader precies dezelfde geurgevoeligheid had als ik. Ik heb hem Merel meermaals horen sommeren eerst te douchen alvorens aan tafel te verschijnen als zij na school op de manege was geweest. Het is geloof ik ook alles wat ik hem aan de opvoeding van mijn zuster heb horen bijdragen. Hij had zelfs een hekel aan zijn collega’s van de cavalerie. Paardenlucht, dat zou die middag mijn redding moeten worden.

Die zaterdag, mijn eerste in het nieuwe schooljaar, werd in totale puberale ledigheid doorgebracht. Pas toen ik laat in de middag eerst de Citroën en even later meisjesstemmen buiten hoorde, kwam ik in actie. Ik sneakte in de keuken nog wat leeftocht bij elkaar en verliet het huis via de bijkeuken om naar mijn vogelhut te gaan. Het was me te link gewoon over het bospad langs loods 1 te gaan en dus ging ik eerst in de richting van de oude Diplomat. Daar haalde ik een nog halfvol pakje Benson & Hedges op en van daar uit ging het in noordwestelijke richting tot aan het prikkeldraad van boer Offereins, dat ik volgde totdat ik het gastenverblijf kon zien. Het laatste stukje deed ik half kruipend tot ik veilig achter de oude beuk stond. De touwladder hing onaangeroerd. Vlug klom ik naar boven.

Zonder verrekijker kon ik linksom de stam het grootste gedeelte van het terras overzien. Kraai en Zwaluw probeerden de barbecue aan te steken wat ze maar matig lukte. Merel en Gans waren in de keuken van het huisje bezig met stokbrood, kruidenboter, wijn en salade. Mees zat in één van onze oude tuinstoelen op de hoek van het terras en rookte een sigaret. Wat er gezegd werd was lastig te verstaan, vooral omdat boer Offereins met zijn trekker precies op het veld achter mij aan het werk was. Iedere keer dat hij langsreed -ik moet trouwens ook voor hem duidelijk zichtbaar zijn geweest, maar dat kon me niet schelen, ik zat op eigen terrein, eigen provincie zelfs en hij kon niets vermoeden, bovendien keek buurman niet op of om van zijn trekker-gingen er hele flarden van het gesprek beneden verloren. Ik was al lang blij dat de buurman niet aan het gieren was. Gans verstond ik het beste, zij had de luidste stem en was inmiddels ook buiten gekomen om te helpen met het aansteken van de barbecue. Haar lukte het meteen en even later hoorde ik haar: “Barbecue brandt, eten over een half uur maximaal.” naar de keuken roepen. Mees drukte haar sigaret uit en stond op uit de tuinstoel en antwoordde duidelijk verstaanbaar want in mijn richting: “Mooi, dan kan ik snel nog even douchen nu, want ik meur werkelijk een mijl naar paard!”. Ik had de verrekijker al op scherp en helde zover mogelijk over naar rechts, het daglicht besloot ik voor lief te nemen, ik droeg een groene legertrui hoog onder het bladerdak van mijn beuk.

Luttele momenten later stond Mees in haar ondergoed in de badkamer. Ze schoof het t-shirt ditmaal over haar hoofd, ditmaal geen bh en ik zag voor het eerst haar borsten. Klein en rond waren die met kleine ronde roze tepeltjes recht naar voren gericht in de badkamerspiegel. En daar ging het broekje al. Het gleed over haar bovenbenen naar beneden via knie enkel en voet en viel buiten mijn zicht op de betonnen vloer van de doucheruimte. Toen draaide Mes zich een kwartslag en rekte zich frontaal voor het badkamerraam langzaam en behaaglijk uit. Zij leek in die pose op die verkiezingsaffiche van de PSP van die vrouw met die koe, mijn allereerste blootplaatje, gestolen uit een bibliotheekboek over verkiezingsposters toen ik elf was en nog in Den Haag woonde. Na de verhuizing had ik het plaatje, het was maar een kleine kopie en bovendien in zwart-wit, in een opstandige bui op de kledingkastdeur van mijn nieuwe kamer geplakt. Maar dat had mijn vader mij verboden. De Pacifistische Socialistische Partij nee dat kwam echt zijn huis niet in.

Ik liet mijn vizier zakken. Van Mees’ borsten naar haar buik tot aan de diepe navel waaromheen kleine donshaartjes groeiden en verder omlaag totdat ik haar driehoek van stug donkerblond (we schrijven 1983 hier) schaamhaar zag op de lichte bolling van haar venusheuvel. Ik was stijver dan ooit -nu niet overal- en Mees draaide zich om, draaide, billen naar mij toe, de kraan open en stapte onder de douche. Ze hield het al na drie minuten constant gepruts met de kraan voor gezien. Dat geisertje was werkelijk hopeloos. Met een nijdig gezicht sloeg zij een badlaken om haar lijf, nog één keer had ik goed zicht op haar schaamhaar. Het was best een forse driehoek. Ze leek wel een beetje op Monique (18) uit Seventeen Special Schoolgirl volume 5, die op de boerderij woonde en iedere morgen tijdens het melken moest denken aan…En toen was Merel uit het zicht verdwenen. De deur van de badkamer liet zij achter zich open staan.

Welke drie minuten veranderden jouw tienerleven? Een geijkte vraag van popjournalisten en de sterren antwoorden dan met iets van the Beatles, Elvis Presley, Bowie of Buddy Holly. Ik was geen ster maar had mijn drie levens-veranderende minuten zojuist achter de rug. En ik had er niet eens zoals Joe Speedboot een heel vliegtuig voor hoeven bouwen. Even later gingen de meisjes eten en ik zakte omzichtig weer naar beneden om zelf maar niet gezien of gehoord te worden. Mijn vogelkijkmissie was met vlag en wimpel geslaagd! De vraag was; wat nu?

Ik besloot die avond, op aandringen van mijn moeder, dan toch maar naar het kennismakingsfeest voor 4-havo te gaan, dat maar tot middernacht zou duren, waar alleen fris geschonken werd en waar helemaal niets aan was. Bij thuiskomst bleek de Citroën CX Break opnieuw absent te zijn. Dat betekende dat de meiden toch nog hadden besloten uit te gaan -daar was tijdens de barbecue nog geen uitsluitsel over-en ik geen enkele informatie bezat over het tijdstip van hun terugkeer. Ik besloot dat het zinloos zou zijn nog naar mijn boomhut te gaan. Zuchtend zocht ik mijn bed op. Maar deze keer zette ik wel de wekker.

Zondagmorgen klokslag acht zat ik opnieuw in mijn vogeluitkijkhut in een ultieme poging nog één van de andere meisjes naakt te zien. En natuurlijk hoopte ik op Kraai. Ik hoefde die dag niet lang op actie te wachten. Ik had me nog maar koud geïnstalleerd op mijn plateautje of de buitendeur van het vakantiehuisje ging open. Het was niet Kraaitje, het was Mees. Ik ging er van uit dat zij iets in de vuilnisbak wilde gooien maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan stak Mees het terras over en liep recht op mij en de beuk af. Snel dook ik weg aan de achterkant van de enorme stam en hield mijn adem in. Aan de voet van de beuk gescharrel, takjes die knarsten en versprongen onder slippers en toen hoorde ik de stem, diezelfde stem die ik gistermiddag had horen verklaren naar paard te meuren. “Hé pssst Spechtje”, zei Mees: “Kom jij eens als de sodemieterij uit die boom naar beneden.”

Wat had ik kunnen doen? De touwladder had ik veilig binnen gehaald maar ik realiseerde mij nu dat die slechts schijnveiligheid bood. Ik kon toch moeilijk blijven zitten tot Sint Juttemis, tot de anderen het wisten en erbij gehaald zouden worden? En dan? mijn zus? Mijn ouders? de politie? Nee deze positie was hopeloos verloren. Ik trapte de touwladder over de rand, ik wist dat ze te klein was om geraakt te worden, en klom langzaam naar beneden. Met een sprong belandde ik naast haar op de koele bosgrond. Ik was op mijn vijftiende nog niet helemaal volgroeid en stak toch een halve kop boven haar uit. Maar verder was Mees in alle opzichten mijn meerdere.

“Dat is niet zo netjes he Spechtje, de vriendinnetjes van je zus proberen te begluren?” Mijn eerste neiging was om met ‘Nee, mevrouw’ te antwoorden, maar mijn keel voelde droog en ik slikte het weg. Mees keek spottend naar de verrekijker in mijn linkerhand, het onweerlegbare bewijs van mijn voyeurisme en vervolgens recht in mijn ogen. En toen trok Mees haar t-shirt omhoog – het was hetzelfde wit-blauwe van Neptunes- en ontblootte -geen bh!- haar borsten voor mij terwijl ze zei: “Misschien wil je ze liever van wat dichterbij zien, dat is makkelijker en…”Opnieuw die spottende ogen nu naar boven, naar het armetierige houten schavotje meer dan acht meter boven haar hoofd: “ook veiliger”.

En ik? Ik staarde ademloos naar de tweelingzusjes van Mees en net toen ik voldoende moed had verzameld om in te ademen sprak zij opnieuw: “Ik zou je handen er maar eens omheen leggen als ik jou was, zo warm is het hier niet.” Een goed soldaat gehoorzaamt zijn meerderen. Ik stak mijn handen toe, de verrekijker viel, kwam ongelukkig op een scherpe steen terecht en was voor goed nagenoeg onbruikbaar, grote kras op de lens. Het beeld vernietigd maar wat ik onder mijn handen voelde was echter dan echt. Voor het eerst van mijn leven streelde ik de huid, het weefsel, de melkklieren, de borsten van een volwassen vrouw. Een meerderjarige tweedejaars studente met een rijbewijs bovendien! Ik liet de kleine harde roze tepels door mijn vingers glijden en bekeek haar lichaam. Hoe rank haast jongensachtig was dit meisje gebouwd als ik er meer dan dertig jaar later aan terugdenk, maar die ochtend streelde mijn vijftienjarige handen een vrouw; een wulpse volwassen vrouw.

Heel voorzichtig zakte mijn linkerhand af naar beneden over haar strakke witte buik tot precies boven de rand van een kort grijs katoenen broekje waaronder weer de rand van een zwart slipje waaruit een klein sliertje blonde haartjes richting de diepliggende navel ophoog kroop. Daar wilde mijn hand strelen en daar overspeelde ik diezelfde hand. Want op dat moment werden mijn beide polsen in een stevige sportgreep genomen en achter mijn hoofd vastgepind terwijl Mees mij ruggelings tegen de stam van de oude beuk zette. Ze liet weer los maar hield mijn handen met haar ogen alleen probleemloos op hun plek. “Ho-ho Spechtje niet onder de gordel. Daar ben je me toch echt nog iets te jong voor.” Vervolgens deed Mees één stap naar voren boog zich heel licht voorover en trok met één krachtige beweging mijn trainingsbroek en onderbroek van naar beneden tot onder de knie. Een erectie werd ontbloot. Een streep vroeg zonlicht viel dwars door het bladerdak van de beuk op mijn eikel. “Nou nou, indrukwekkend hoor”, zei Mees en vervolgens omvatte zij met opnieuw die krachtige skiffeurs greep van haar rechterhand mijn lid, stroopte de voorhuid twee-en -een-halve keer op en neer, waarna ik mij met een schorre gesmoorde kreet van haar afwendde en drie dikke klodders zaad op de bast van de oude beuk spoot.

Mijn tenen kromden zich in mijn gympies, mijn ogen gingen half dicht en tussen mijn wimpers zag ik de oude beuk wankelen in het vroege koude zonlicht om uiteindelijk met donderend geraas neer te storten evenwijdig aan loods 3. De enorme wortels die rond ons bovenkwamen trokken kraters en vulkanen van spuitend grijs zand om onze voeten op de grond. Een suizende windverplaatsing benam adem en gehoor tegelijkertijd. Maar dat was alles puberale grootheidswaanzin want toen ik mijn ogen even later echt opende stond die woudreus natuurlijk nog gewoon op zijn plek.

Er overviel mij een hevig gevoel van schaamte toen ik bemerkte dat ik niet alleen de boom maar ook de rug van Mees’ rechterhand met mijn zaad besmeurd had maar Mees zelf leek er niet mee te zitten. Ze veegde haar hand af aan de bast van de boom en keek naar mij. “Nou-nou indrukwekkend hoor”, zei zij nog een keer: “Een beetje snel, dat wel maar verder veelbelovend.” Daarna keerde zij mij de rug toe en liep terug naar het ons gastenverblijf. Ik keek haar na, zigzaggend tussen de bomen om brandnetels en ander ongerief te vermijden en hoorde seconden later de droge klik van de voordeur van het huisje die in het slot viel. Mijn broek en onderbroek nog altijd om mijn enkels, terwijl een koele ochtendbries traag, heel traag vat begon te krijgen op mijn nog altijd nog fier geheven geslacht.

Het viel mijn moeder niet veel later op dat de oude beuk bij ons gastenverblijf nog nooit zo overvloedig vrucht gedragen had als juist die herfst. Tot ver voorbij het terras lag de bosgrond werkelijk bezaaid met beukennootjes.