De Autofluisteraar
“Nou, uiteindelijk hebben we pa dan toch netjes begraven, niet?” Koen zette het kelkje jenever aan zijn lippen en nam een flinke teug. Hij had tegen niemand in het bijzonder gesproken. Zijn twee bolle dochters waren met elkaar in gesprek en keken niet op van hun witte wijn. Ik zag Koen’s vrouw die bij de deur stond naast het bordje -wegens omstandigheden gesloten- achter diens rug een gebaar naar Petertje achter de bar maken. Een gebaar dat in principe van alles kon betekenen, maar door de barkeeper, professioneel als die was, onmiddellijk juist geïnterpreteerd werd. Hij liftte de fles met jonge van de plank achter zich en schonk Koen nog eens bij, maar niet voordat hij hem recht in de ogen had gekeken onder de woorden: “Wel je laatste Koen. Ik ga de tent zo sluiten.” Koen hoorde het gelaten aan, terwijl hij nog eens voor zich uit mompelde dat we pa dan uiteindelijk toch netjes begraven hadden.
En hij had gelijk. Zij het dat pa voor ons Leo of ome Leen was geweest, en wij dat waren dan de vaste clientèle van buurtcafé Spoorzicht. Spoorzicht had een rare naam. Want hoewel Hollands Spoor op een steenworp -toegegeven voor een beduidend betere werper dan ikzelf- afstand lag was de ‘Vereeniging tot verbetering der woningen van de arbeidende klasse te ’s-Gravenhage’ er begin 20e eeuw toch in geslaagd in die nauwe ruimte een arbeidersstraat of vier neer te plempen. Ik kon het weten, ik woonde in één van die straten en noch vanuit mijn kleine bovenramen noch vanuit het café was ook maar iets van het spoor te zien. Toon, postbode in ruste en verreweg de grootste ouwehoer van Den Haag en omsteken -niet in ruste- vertelde aan iedereen die het maar horen wilde -niemand- dat het treinspoor weliswaar niet te zien was maar dat over de gracht om de hoek ooit een paardentram gereden had waaraan het café volgens hem zijn naam ontleende. Dat die gracht ten tijde van de paardentram nog niet gedempt was, hielden wij voor ons. “Of misschien werd die tram wel voortgetrokken door zeepaardjes, he Toon”, zei Peter dan terwijl hij iedereen nog eens bijschonk.
Daar komt nog iets bij. Trams rijden niet over een spoor die rijden over een baan, maar geloof mij, als het café Baanzicht zou hebben geheten was de verwarring pas echt compleet geweest. Want maar heel weinig vaste bezoekers van Spoorzicht hadden een baan. Ik zelf geloof dat de naam bedacht is door dezelfde lolbroek die een andere kroeg even verderop aan de kade en pal in het midden van een lange troosteloze gevelrij café Ons Hoekje heeft gedoopt. De voormalige gracht die beide verbindt, kun je nauwelijks zien vanuit Spoorzicht, daarvoor moet je op het uiterste hoekje van het postzegel terras -drie tafeltjes, zes stoelen- gaan staan en zelfs dan kon je de gracht alleen zien als je je nek in een onnatuurlijke en pijnlijke hoek wist te strekken Ik had daar vanmorgen gestaan naast Vito de Zigeuner. Daar had ik de rouwstoet voor het eerst gezien.
Vito en ik waren die ochtend als allerlaatste ingestapt. Ik had dat wel passend gevonden. Ik kan natuurlijk niet voor Vito spreken, maar het voelde toch als de twee vreemde eenden in de bijt. Allereerst ben ik Hagenees noch Hagenaar. Nadat een langdurige en achteraf gezien goddank kinderloze relatie drie jaar geleden beëindigd was, was ik mijn werk en mijn kinderjaren achterna verhuisd. De forensentrein vanuit mijn kleine universiteitsstad had ik verruild voor een rammelende fiets. Vier dagen per week reed ik daarop naar het rijke deel van de stad om de kinderen aldaar op een chique instituut de beginselen der geschiedenis bij te brengen. “Dat is Thomas, die lult voor z’n werk de hele dag over dooie mensen”, zeiden ze hier. Donderdag was mijn vaste vrije dag. Vandaar dat ik vandaag ook naar de begrafenis gekund had.
Zoals de meesten hier, kom ik ook niet iedere dag in Spoorzicht. Als tegen vieren de schoollessen zijn afgelopen ga ik zo’n twee keer in de week langs het café. In de zomer wat vaker maar dan lees ik meestal op het terras, praat met niemand en ben dan zo goed als afwezig. Verder drink ik geen alcohol, nooit. Dat doe ik niet omdat ik het niet lust en meer wil er hier niet over kwijt, maar ik drink dus niet. Daarom blijf ik ook zelden langer dan een uur of anderhalf. Eén kop koffie soms een tweede of een frisje en dan terug naar mijn vrijgezellen etage, mijn afhaalmaaltijden, boeken, mijn computer en mijn vinyl.
Leen zelf had ik eigenlijk nauwelijks gekend. Hij was al ziek aan het worden op het moment dat ik het café begon te frequenteren, maar hij werd natuurlijk wel veelvuldig besproken aan de bar. Dus wist ik dat hij 74 geworden was en dat hij longkanker had gehad. Dat hij marktkoopman in stoffen, de zaak was met wisselend succes voortgezet door zijn zoon Koen, was geweest. Dat Leen’s beide kleindochters de oliebollenkraam voor Hollands Spoor in december dreven en dat hij nogal van Elvis Presley had gehouden.
“De rouwstoet van Elvis bestond uit negen en veertig wagens.” Koen was erin geslaagd Toon als luisteraar te strikken, een prestatie op zich: “Stel je voor negen en veertig witte Cadillacs, niet te doen hier in de binnenstad. En trouwens die ouwe had nog maar nauwelijks negen en veertig kennissen. Maar dit, dit was toch ook niet gek.” “Was die negen en veertig in- of exclusief de lijkwagen zelf?” wilde Toon weten. “Geen idee, maakt dat uit?” “Het kan schelen”, zei Petertje die Marloes en Joyce aan een laatste witte wijn hielp: “Geloof me, dat kan schelen.”
Elvis Presley werd inderdaad in een stoet van negen en veertig witte Cadillacs naar zijn laatste rustplaats begeleid. Koen had opnieuw gelijk gehad. Mona zou het niet geweten hebben. Toen Mona geboren werd was de King al ruim twee jaar dood. De muziek kende ze van haar stiefvader die haar ook zijn voorliefde voor Amerikaanse auto’s, vooral de sportievere modellen, de Mustang, de Firebird, de Corvette, had meegegeven. En mede daarom had ze ook ja gezegd. De afspraak was pas gisteren tot stand gekomen. Na drie saaie dagdiensten had ze haar Mercedes net afgeleverd, toen de baas haar had aangeschoten of ze morgen in kon vallen. Een hugo, vakjargon voor een uitvaartdienst en een geliefde bijverdienste voor taxichauffeurs. Mona had even geaarzeld. Donderdag was haar sportschoolochtend, één van de weinige luxes -correctie; één van de weinige gezonde luxes- die zij zich dezer dagen nog permitteerde. Maar ze kon het extra geld eeuwig goed gebruiken. “Het wordt trouwens iets groots”, had de baas haar nog verzekerd: “We rijden niet met de eigen Mercedessen maar in een vloot afgehuurde Cadillacs.”
Daarom was de wekker zo vroeg gegaan. Mona viste met kloppende slapen en de spreekwoordelijke dode muis in haar bek een witte BH uit de wasmand, die daar ongetwijfeld met goede reden lag maar die de enige zou zijn die niet door haar witte bloesje heen zou schijnen. Zwarte pantalon en nette lage schoenen had ze gelukkig gisteren al klaar gelegd, voordat ze de fles wijn had open gemaakt, waarvan de kater nu kwam opzetten, terwijl zij maar aan één ding kon denken; Dat ze verdomme weer te laat zou zijn. Gelukkig had ze wel een schone slip. Aankleden; negentig seconden, Ontbijt; één zwarte koffie, twee paracetamols, twee minuten. Tas, portemonnee, rijbewijs, sleutels, tampons; dan jas aan, auto in. Mona startte haar snelle Honda -als het schip met geld ooit mocht binnenlopen zou het weer een Mustang zijn- en reed binnen het kwartier naar Den Haag. Het was gelukkig niet druk op de weg deze donderdagochtend in maart en ze had zelfs nog een minuut of wat kunnen winnen als ze pal achter de aula had kunnen parkeren, wat nu niet ging omdat die in zijn geheel in beslag werd genomen door negen verlengde Cadillacs type Fleetwood Limousine 500 V8, bouwjaar 1977.
Mona nam de achterdeur naar de koffieruimte waar haar negen mannelijke collega’s al aan de koffie zaten. Collega Ben, de lul, stond voor een whiteboard, marker in de hand. Hij zou de lijkwagen rijden en was zodoende formeel leider van de colonne en dat moest iedereen natuurlijk nog even weten. Op het moment dat Mona binnenkwam nam hij net het laatste stukje van de route door. Aan de bovenrand van het bord had hij tien rechthoeken getekend met daarin de namen van de chauffeurs; Ben, Henk, dan zijzelf, Osman en zo door tot en met nummer tien. Achter zes van de tien namen stond een ster, de chauffeurs die de kist zouden dragen nam zij aan. Haar eigen naam was niet gemarkeerd, een geluk bij een ongeluk want zo’n kist sjouwen met een kater was geen pretje wist Mona inmiddels uit ervaring. Maar ook in betere doen was zij een hopeloze draagster. Met haar 1.64 meter moest ze zelfs met schoudervulling de raarste bokkensprongen maken om de onderkant van de kist zelfs maar te schampen. En dan liep je zeker met een zwaar lijk ook nog het risico dat ze de anderen uit hun evenwicht bracht. Nee prima zo, maar wat betekende die F onder haar naam en die van Henk voor haar? Ze boog zich voorover om het Osman die schuin voor haar zat te vragen. “Familie”, fluisterde die terug: “Die stappen zo meteen al in. Onze auto’s rijden leeg naar Spoorzicht en daar pikken we dan de rest op.”
En toen had Ben het bestaan haar in het bijzijn van al die kerels een standje te geven. Hij legde net iets uit over de automatische versnellingsbak van de auto’s en of ze wel oplette. “Luister ongelooflijke lul de behanger. Ik rijd de tweede auto en het is niet meer dan een piseindje. Ik volg de achterlichten van Henk en zie in mijn spiegels die Turkse poppensnor van Osman. Hoe moeilijk denk jij dat het kan zijn?” woorden waar ze een paar uur later dikke spijt zou hebben, weer zo’n repeterend thema in haar leven; te vroeg praten en te laat komen. Daarna waren ze naar de wagens gegaan en had Osman het goed gemaakt: “Joh trek je niets aan van die lul. Wees blij dat hij het lijk rijdt, het zijn de enige klanten met wie hij geen bonje schopt.” Een kleine maar stevige en joviale man die zich als Koen aan haar had voorgesteld, zijn mollige vrouw Marloes en dito dochters van wie de namen haar alweer ontschoten waren en die haar ergens bekend voorkwamen. De sportschool? Een winkel of café wellicht? Zij hadden zich gevieren op de achterste van de twee achterbanken geperst. Ouders in het midden, dochters -de oliebollenkraam bij Hollands Spoor!- aan de zijkanten. In de achteruitkijkspiegel lieten ze precies genoeg ruimte om door de verkleinde achterruit het gezicht van Osman in de volgende auto te zien. Mona zag aan zijn houding dan zijn auto nog leeg was. Hij zat ontspannener meer onderuit en hij had zijn chauffeurspet nog niet op. De hare kriebelde, ze verdroeg sowieso slecht dingen op haar haar, maar de klant had per se gewild dat zij de grijze chauffeurspet met klep droeg. Ach het had ook wel wat. De enorme leren voorbank in plaats van stoelen, de grote rechthoekige mijlenteller op het dashboard voor haar, het nephouten scheepsrad in haar kleine handen. Voor een verkeerslicht gaf Henk rechts aan en geroutineerd volgde ze de Cadillac voor haar het voorsorteer vak in. Ze tikte even aan haar pet en voelde zich zo meer als een kapitein die een motorsloep de haven in loodst.
Een paar minuten later bereikten ze café Spoorzicht. Mona stuurde haar wagen het parkeervak voor het terras in voor een korte show-stop -er zou immers niemand uit- of instappen- en stuurde er precies weer uit toen Osman’s Cadillac precies twee lengtes achter de hare op straat tot stilstand was gekomen. Het leek haar wel een lange sliert, want het terras had dan wel volgestaan toen ze stopte, het was ook maar een klein kutterrasje. Petertje die op dat terras -het was zijn terras- stond had hetzelfde probleem al eerder voorzien. Sterker nog, hij had het de avond ervoor al met Koen besproken toen die hem belde om het draaiboek voor vandaag door te nemen. “Wij zijn rond half elf bij Spoorzicht met de negen Cadillacs. Mijn broer en ik nemen de voorste twee al bij de aula. Jij moet de mensen over de andere auto’s verdelen.” “Hoeveel mensen kunnen er in zo’n Cadillac?” “Oh minstens negen, ze zijn verlengd en hebben allemaal een dubbele achterbank”, had Koen enthousiast geantwoord. “Dan hebben we een probleem.” “Een probleem? Hoezo?” “Dan heb je veel meer Cadillac, dan dat je mensen hebt.”
Klokslag half elf stuurde Ben zijn spierwitte Cadillac langs café Spoorzicht. Hij reed een Fleetwood Brougham Estate in oktober 1977 gebouwd door de firma Cadillac, sinds 1909, en onder auspiciën van het moederbedrijf General Motors. Dit exemplaar -dat sowieso twee maanden te jong was om de echte begrafenisauto van Elvis Presley te zijn geweest, iets dat de latere eigenaar graag in de kroeg mocht beweren- werd direct als chassis aan een lokaal bedrijf geleverd dat het ombouwde tot lijkwagen en als zodanig deed de wagen negen jaar dienst in St Louis, Missouri, Verenigde Staten waarna de auto naar Nederland geëxporteerd werd. De nieuwe eigenaar was een zekere Louis Stassen uit Grubbenvorst, Limburg, een rozenhandelaar en Elvis-fanaat die er zijn levenswerk van had gemaakt de auto meer en meer tot replica van de originele lijkwagen te maken en het ding op de weg te houden. Leendert en Louis waren oude bekenden uit het Elvis-circuit. En met die witte Cadillac was het ook voor Koen allemaal begonnen.
“Ik wist dat die ouwe nog een halfgare kennis in Limburg had, die zo’n wagen had staan”, hoorde ik Koen tegen Toon zeggen: “En ik ben hopeloos met die dingen maar Joyce”, Koen wierp een trotse blik op zijn dochter: “Had die vent binnen vijf minuten te pakken op facebook. Nou wat denk je?, hij had die wagen nog altijd!, na vijf en twintig jaar!…en we konden hem gebruiken ook. Ja en toen wilde ik ook volgauto’s in stijl”. Koen pauzeerde even voor een slok bier: “Ja toen wilde ik veel volgauto’s, omdat die gitaar van witte bloemen die mijn schoonzus geregeld had nogal klein was uitgevallen en we konden hem ook al niet in zijn Elvis-pak begraven.”
En nu was het Peters taak de auto’s uit te tellen. In de tweede wagen zat Leo’s oudste zoon Richard met vrouw en hun twee dochters. Hem kende Peter helemaal niet, alleen uit de verhalen van wijlen zijn vader. Dat hij iets belangrijks financieels deed procuratiehouder ofzo en dat hij met een kakwijf was getrouwd en nog maar hoogst zelden in de oude buurt kwam. Richard keek vanaf de achterbank strak voor zich uit. “Die zat vast al te berekenen wat deze grap extra zou kosten; in totaal, de man, per uur en daarna nog per afgelegde kilometer, de boekhouder”, had Koen later aan de bar gegrapt: “Hij is per slot van rekening testamentair executeur, al zal er niet veel te halen zijn.”
En daar reed de derde Cadillac al aan, gereden door een opvallend klein en mollig chauffeurtje. Pas toen Peter een tweede keer keek zag hij dat er een vrouw achter het stuur zat. Achterin zaten Koen, zijn vrouw Marloes, Joyce en Monique, die Petertje allemaal wel persoonlijk kende. Hij zwaaide en gebaarde dat hij verder de aanwezigen zou verdelen. Koen en Marloes zwaaiden terug. En zo verdeelde Peter de rouwenden in kleine plukjes -twee, drie hooguit vier- over de af- en aanrijdende auto’s. Zo leek het tenminste nog wat. En toen de laatste het terras aanreed stonden daar alleen nog Vito de Zigeuner en Thomas, die geschiedenisdocent, en dat was verder prima. “Dit is de laatste, die delen wij”, Peter boog zich naar zijn vrouw Annet die achter zou blijven om de nazit voor te bereiden en kuste haar wang: “Tot straks.” “Er komt er nog één”, zei Vito. Peter maakte zich los van zijn vrouw en strekte de nek in de richting van de gedempte gracht. “Nee hoor, negen heeft Koen gezegd en ik heb ze geteld en zie ook niets.” “Er komt er nog één”, hield Vito vol: “Ik hoor hem toch.”
Vito die in een lange zwarte jas met bijpassende hoed al die tijd aan de rand van het terrasje had gestaan had alle tien de Cadillacs gehoord en het geluid had hem teruggebracht naar lang…lang geleden. En dat was vreemd want daar waar hij opgegroeid was daar waren geen Cadillacs geweest, geen enkele in de hele Republiek. Vito kwam uit een land dat inmiddels al lang niet meer bestaat en dat na de Tweede Wereldoorlog weliswaar socialistisch was geworden, maar niet echt was verdwenen achter het IJzeren Gordijn. Zijn geboorteplaats lag in het uiterste noorden van het land, dichtbij de Hongaarse grens in een streek die van oudsher door tal van bevolkingsgroepen wordt bewoond en waar een handvol talen werd gesproken. Bevolkingsgroepen die allemaal één ding gemeen hadden; dat ze neerkeken op Vito’s soort mensen. In het kamp -de autoriteiten spraken destijds consequent van woonwijk- maar het was een kamp geweest waar Vito als kind geleefd had, had maar één automerk bestaan; het merk met de ster; Das Beste oder Nichts!
En zij hadden Mercedessen gereden. Zelfs in de communistische periode, juist in de communistische periode. Terwijl de lokale bevolking zich tevreden diende te stellen met krakkemikkige Fiat rip-offs met zo’n naaimachinemotortje achterin en lak zo dof als een lijk, hadden zijn ooms en buren en kennissen en verdere familie en vrienden glanzende Mercedessen gehad. Afgedankte Weense taxi’s via Hongarije het land in gesmokkeld of Italiaanse exemplaren verstopt op de boot vanuit Triëst, zo gingen de romantische verhalen. Feit was dat verreweg de meeste auto’s werden meegenomen door arbeidsmigranten -gastarbeiders heetten die toentertijd, die in landen als Nederland en België en West-Duitsland voornamelijk in fabrieken werkten en hun inkomsten in de zomer aanvulden met de handel in Mercedessen en vooral de onderdelen. Precies zoals Vito zelf vrijwel zijn hele leven hier in Den Haag had gedaan tot het een paar jaar geleden niet meer hoefde omdat er in dit land van staatswege daadwerkelijk voor de ouderen wordt gezorgd.
Vito’s gekke oom Vito naar wie hij was vernoemd, en niet zonder goede reden had zijn mama daar altijd veelbetekenend aan toegevoegd, zijn gekke en ongehuwde oom Vito was de uitzondering geweest. Die had in Antwerpen gewerkt in de haven en was teruggekomen niet in een Mercedes, maar in een in diezelfde stad geassembleerde enorme Opel. Het was een Diplomat geweest, donkergroen met sportstreep en een zwart vinyl dak. Dat was grote mode in die tijd. Onder de kap had een Amerikaans V-8 5,4 liter benzinemotor gelegen, het zwaarst leverbare voor dit type. En dat geluid…dat geluid dat hoorde Vito al die jaren later. Natuurlijk was het niet identiek. Natuurlijk hoorde Vito het verschil tussen vijf en een halve liter en acht, maar motorische familie bleef het. Was Opel niet immers al voor de Oorlog overgenomen door General Motors? Was die Diplomat niet net als de Kapitein en de Admiral in feite een als Duitser vermomde Amerikaan? En werden die 4,6 en later zelfs 5,4 V-8’s daar niet gebruikt voor de kleinere loten aan de General Motors-boom? Voor Chevrolets, Buicks en voor Oldsmobiles? Vito hoorde een grote zus brommen waar hij eens haar zusje had gehoord. En niet eens vaak trouwens want de oude Vito was voor zijn verregaande excentriciteit gestraft met een eeuwig tekort aan reserveonderdelen, dus zo vaak had het ding niet gelopen. Al spoedig was de Diplomat in onbruik geraakt en verbannen naar het ijzeren kerkhof aan de rand van het kamp. Wie weet stond het metalen karkas daar nog altijd, Wie zou het zeggen?
Ondertussen was de door Vito voorspelde tiende Cadillac om de hoek verschenen en was enige haast geboden want die blokkeerde onmiddellijk het verkeer. Petertje verwees Vito en Thomas naar de laatste; nummer tien, of negen wanneer je zoals Koen uitsluitend de volgauto’s had geteld, en schoot zelf en in zijn eentje in de voorlaatste. Vito gleed als eerste de achterbank op, groette met de hand de chauffeur in zijn spiegel, en zag toen pas dat hij die leraar als reisgenoot had toegewezen gekregen, die vent die altijd koffie dronk, rare vent, maar alles was beter dan die kletsmajoor van een Toon.
Ik was ook blij dat Petertje ons, Vito de Zigeuner en ik zelf bedoel ik naar de allerlaatste volgwagen had verwezen. Vito leek me een aardige vent en ieder geval zwijgzaam net als ik. Ik had geen enkele behoefte aan gepraat. Ik had geen enkel verdriet, zelfs nauwelijks herinneringen aan Leen. Ik zou een ritje in een Cadillac gaan maken en onderwijl keek ik mijn ogen uit. Je kunt je niet voorstellen hoeveel bekijks je trekt in een rouwstoet bestaande uit tien verlengde Amerikanen. Het overige verkeer stokte, scootertjes werden gekeerd, mobieltjes getrokken. Man ze hingen bijkans uit de ramen: “Wat zeg je Mien? Tien? TIEN!; Ja Kees kom dan zelf kijken”. En vanzelfsprekend heb je dan in de laatste wagen iedere keer het maximale effect. Kortom ik keek mijn ogen uit naar mensen die hun ogen uitkeken naar ons. Wel leek de route mij ietwat onlogisch maar dat bemerkte ik pas na een kwartier ofzo toen we opnieuw de gedempte gracht opreden, hemelsbreed geen dertig meter van Spoorzicht vandaan waar we begonnen waren. Wellicht had het iets met de lengte van het konvooi te maken en wat had ik als passagier trouwens met die hele route te maken? En dus viel het me ook pas op toen we een tweede keer het standbeeld van de oude filosoof voorbij reden. Direct daarna maakte de auto een scherpe bocht naar rechts en reden wij pardoes de Dobbelstaat binnen. Achter ons schudde de oude filosoof heel even het wijze stenen hoofd om zoveel ijdelheid om daarna direct weer in eeuwenoud gepeins te verzinken.
“Langs de Dobbelstraat heb ik gezegd. Erlangs!, Ik heb nooit gezegd erdoor”. Koen had zijn vrouw weten te vermurwen tot toestemming voor een allerlaatste kopstoot en die stond nu voor hem op de bar. Terwijl de meeste mensen al aanstalten maakten tot vertrek, praatte Koen verder tegen Toon: “Niet dat ik het erg vond en die ouwe zal er ook best wel eens geweest zijn.” Koen nam een slok: “We hebben het er nooit over gehad. Vanzelfsprekend zulke dingen bespreek je niet met je pa toch? Maar als ik net als hij meer den vijf en twintig jaar weduwnaar zou zijn, dan…” En toen bemerkte Koen zijn vrouw die achter hem stond en begon haastig over iets anders. Ja natuurlijk had hij een showrondje aan de route toegevoegd: “Anders had-ie die wagens net zo goed niet kunnen huren, toch?”
De Dobbelstraat is één van de twee overgebleven prostitutiestraten in Den Haag en geldt als de goedkope van de twee. Uit de verhalen van Deelder en anderen weet ik dat er vroeger, zo’n halve eeuw geleden, veel meer prostitutiepanden in de buurt waren geweest, zo’n beetje tot aan de straat waar ik woonde. Maar dat was inmiddels allemaal weg want zoals zoveel steden voerde Den Haag al decennialang een politiek van ontmoedigen en concentreren zodat in onze buurt alleen de Dobbelstraat was overgebleven. Honderd en tien meter strekkende ellende, zo was het ooit door een wethouder omschreven, met aan weerszijden van de smalle straat ramen, ongeveer honderd per kant, een kleine tweehonderd in totaal. Vanaf het eind van de jaren 80 waren auto’s uit de straat verbannen. Daarom was er geen trottoir meer maar was het hele straatoppervlak geplaveid met grauwgrijze stoeptegels. Uiteraard kende ik de Dobbelstraat, zo hypocriet zal ik niet wezen, ik woon er praktisch om de hoek. Maar wie had kunnen denken dat ik die straat nog eens in zou rijden, op een donderdagmorgen, in een verlengde Cadillac Fleetwood Limousine? We waren de eerste ramen echter nauwelijks voorbij toen mijn gedachten abrupt onderbroken werd door het plotselinge stoppen van de wagen. Vito die de hele weg op zijn eigen planeet leek te zijn geweest kwam uit zijn trance. “Waarom staan we stil?” De chauffeur wees voor zich en draaide zich om naar ons: “Omdat we vastzitten, daarom.”
De eerste fout, de oerfout, de moeder aller fouten, had Mona gemaakt. Zij had de haast haakse bocht linksaf de Dobbelstraat uit te ruim aangesneden. Al bij het eerste aanrijden was ze te ver naar rechts afgedwaald. De hand die heel het machtig radarwerk had stilgezet was de hare geweest op het grote maar toch iele imitatie-houten stuur van Cadillac volgauto nummer twee. Daar waren ze het achteraf allemaal over eens. Henk en Osman die respectievelijk voor en achter haar gereden hadden, en dus het beste zicht op het hele gebeuren hadden gehad. Ben Ali Belangrijk die zelf uiteraard niets gezien had maar die het konvooi dat zij verbroken had, had geleid en de baas zelf een paar uur na het debacle op zijn kantoor, verzekeringspapieren op tafel. Vraag 2a toedracht ongeval/schade: ‘Mona nam de bocht te ruim, vernielt ruit en rijdt verkeersbord om’. Maar zo was het niet geweest. Het was tenminste niet het hele verhaal. Mona had het liefst staande gehouden dat die bocht niet te nemen was geweest, dat hij stomweg te nauw was om een verlengde Cadillac met negen zitplaatsen door te sturen, maar ze wist dat die vlieger niet opging. Ben en Henk hadden die bocht voor haar probleemloos genomen. Ben met de lijkwagen die zelfs nog vijf centimeter langer was. Een detail dat Mona alleen wist omdat Ben het haar inmiddels al drie keer verteld had. En toen ze eindelijk weer door konden had ook iedere chauffeur achter haar die bocht zonder kleerscheuren genomen. Sterker ze had hem uiteindelijk toch ook zelf gereden.
Maar het was niet de hoek van die klerebocht, het was alles bij elkaar. Ten eerste wat deden ze überhaupt in de Dobbelstraat? Dat was verdomme voetgangersgebied! En zij kon het weten. Had zij niet eigenhandig de paal met het blauwwitte bord met die vriendelijke opa die zijn kleinzoon mee naar de hoeren neemt uit de grond gereden? Zaten ze niet daarom nu hier? Maar Ben hield vol dat de zoon van de overledene dat zelf gevraagd had: “Het was die bolle, je had hem zelf in je wagen Mona. Bovendien stonden de parkeerpaaltjes die naar de kade leidden nog omhoog. Vraag me niet waarom. Ik kon niet eens rechtdoor, ik moest wel rechtsaf.“ “En voetgangersgebied of niet”, had de baas toegevoegd: “Het doet niets af aan het feit dat jij die bocht te ruim hebt ingezet.”
Mona zweeg. Het was geen stuurfout geweest. Toegegeven ze stond wat ver naar rechts maar die bocht had ze achteraf gezien wel kunnen houden. Misschien zou de rechterachterzijde van de kofferbak de pisbak geschampt hebben, maar dat was een kwestie van een dot extra gas en hooguit een kras. Maar het waren niet haar handen die haar in de steek hadden gelaten, het was haar rechtervoet. Ze had de auto nooit achteruit moeten steken. Het hoerenstraatje zelf waren ze zo door geweest. Het was ook een straatje van niks. Het viel Mona op dat, hoewel natuurlijk geen spitsuur op de donderdagmorgen, er toch zeker al een raam of twintig bevrouwd was. Vrijwel allemaal door Latina’s van een zekere leeftijd en omvang. De schriele Oostblok-kipjes verschenen meestal pas na lunchtijd op kantoor. Als taxichauffeuse wist Mona zulke dingen. Ze had ze vaak genoeg in haar taxi gehad zowel de klanten als de meisjes. Maar dan reed je uiteraard de straat niet in, die zette je af naast het standbeeld van die oude knar, en dan was je vaak twee minuten later weer op je standplaats bij Hollands Spoor terug. Nu zag ze de Cadillac voor zich links aangeven en boog zich automatisch iets naar voren om haar richtingaanwijzer te kunnen bedienen. Henk was vervolgens linksaf geslagen voor de pisbak en het fietsenrek en zij had zijn plaats ingenomen en nog één keer haar spiegels gecheckt, en gezien dat het meest rechtse raam van het laatste pand aan haar rechterhand in gebruik was. Iets teruggetrokken achter het raam stond een enorme negerin, een zwarte reuzin. Ze leek Mona meer dan twee meter, en had een vriendelijk gezicht. Dat was het moment geweest. Daar realiseerde Mona zich dat ze al een fractie te ver was doorgereden om de bocht lekker te kunnen nemen. Daar was ze zo stupide geweest de Amerikaan in zijn achteruit te gooien. En vervolgens had ze het rempedaal niet nauwkeurig genoeg aangetrapt en dat was des te onvergeeflijker daar het kreng de omvang van halve stoeptegel had en Mona schoenmaat 36 droeg. Of waren het haar korte rotbeentjes? De slip die toch in haar reet kroop en de chauffeurspet die kriebelde? Ongesteldheid? Kater? Haar ex-vriendje en haar moeder? Of was het die grote negerin achter glas geweest? Hoe dan ook, zij had de achterkant van de Cadillac verloren en met de punt van de bumper -hoe gênant voor een beroepschauffeur- het glas geraakt. Het raam was gesprongen als een duralex-glas en de dame daarachter verdwenen, als een silhouet achter matglas. En toen had Mona de wagen met te veel kracht losgetrokken, een stuk vermolmd kozijn meegenomen en een lokale hagelbui van glas op de stoep veroorzaakt. En de negerin was -als in een animatiefilm- weer tevoorschijn geregend, van onderen naar boven; knieën, kousen, het kanten zwarte slipje met de veter -het soort dat op zeker in je reet kroop- de grote diepe navel met de minuscule zwarte haartjes er omheen. En daarboven het lijfje van rood en zwarte stof, het diepe decolleté, de brede schouders, hals en dan haar gezicht met daarboven nog die gigantische berg haar.
Mona zag het allemaal in haar achteruitkijkspiegel. De negerin boog zich eerder nieuwsgierig dan geschrokken door het gebroken raam naar buiten. Mona’s spiegel ving haar enorme boezem. ‘Objects in the rear view mirror may be closer than they appear to be.’ Ook waar, en pas toen had Mona weer door de voorruit gekeken en bemerkt dat ze ook haar voorbumper had weten te verstrikken in een verkeersbord. De wet van Murphy had zijn werk tot in het kwadraat gedaan. En ze had zich opnieuw willen loswurmen, en had de motor af laten slaan en niet meer aan de praat gekregen.
De prostituee had zich in middels omgedraaid en verdween in haar kamer om een badjas te halen. Het mocht dan zonnig zijn, het was wel begin maart . Daarna nam zij haar telefoon en belde de verhuurder om schade te melden, kon die meteen een ‘vidriero’ regelen.
Brenda had de rode lamp boven haar deur een uur daarvoor aangezet, toen het nog echt rustig in de straat was. Een uur had ze gewacht, nog maagd voor de dag, maar het had haar goede humeur niet bedorven. En dat kwam omdat het haar laatste dag in deze straat was. Verleden maand was ze in Nederland teruggekeerd na een verblijf van drie maanden in Zuid-Amerika en Spanje en haar vaste kamer in Amsterdam was niet meer vrij geweest. Enfin dat kon gebeuren. Daar had ze rekening mee gehouden. Waar ze geen rekening mee had gehouden was dat de raamexploitant daar woord gehouden had, en haar had gebeld zodra er weer een kamer vrij was. Een man die zich aan zijn woord hield. Het kon wat Brenda betrof in de krant. Zaterdag-Dag -Bianca werkte ook in Amsterdam nooit in de avond- kon ze beginnen en meteen had ze besloten de vrijdag vrij te nemen. Bij haar eerste aankomst in Nederland nu vijf jaar geleden had ze hier ook gewerkt voor een week of wat. Toen kende zij hier heg noch steg. Nu voelde Amsterdam als thuis en telde ze de uren af in deze aggenebbisch straat.
Brenda zag de auto’s eerder dan dat ze ze hoorde. Dat was niet zo vreemd. Ze keek immers iedere paar minuten in het spionnetje rechts aan haar kozijn om klanten te spotten maar vooral om de mascara rond haar grote bruine ogen te controleren en zo nodig bij te werken. Het was min of meer een kleine zenuwtic van haar zoals andere meiden bij voortduring roken achter het raam. Toen zij dit die morgen voor de twaalfde keer deed, zag zij die enorme sleeën op zich afkomen en meteen daarna had ze ze ook gehoord door het glas van het raam heen. Zware Amerikanen zoals de auto’s op het eiland waar zij als klein meisje met haar moeder gewoond had en toch ook anders. Die eiland-wagens waren ronder van vorm geweest, verchroomder, kleurrijker ook als vrouwtjes-dinosauriërs. Deze waren moderner, vierkanter en keken dreigender uit hun rechthoekige koplampen; een mannelijk soort. De lijkwagen was enorm geweest en wit. Tussen de gordijntjes in de zijruit had Brenda de lichthouten kist voorbij zien glijden bedekt onder een viool van witte bloemen. Een beroemd musicus? Brenda had geen idee en ook geen tijd om er verder over na te denken, omdat de eerste zwarte volgauto voorbijschoof en toen de tweede en daarna nog een hele rij de hele straat door die ook spoedig voorbij zouden komen, ware het niet dat het grietje dat de tweede volgauto reed de bocht te ruim nam en vervolgens haar ruit eruit gedrukt had en toen van voren vast was komen te zitten aan het verkeersbord op de hoek van de straat. Brenda die geen twee meter was, maar wel 1:84, de rest waren hakken en hair extensions moest zich buigen om door de kapotte ruit naar buiten te stappen. Daar schudde zij eerst nog een stukje glas uit het gouden bandje om haar enkel en overzag het hele panorama. De rouwauto’s begonnen leeg te stromen. Een kleine menigte van klanten, rondhangers, verhuurders, collega’s en rouwenden drong zich op in haar richting aan het einde van de straat. Iedereen wilde met eigen ogen zien wat daar nu precies aan de hand was.
Omdat wij in de laatste volgauto zaten, stonden wij al stil helemaal aan het begin van het hoerenstraatje. De voor ons gestrande wagens begonnen voor onze ogen langzaam leeg te stromen en Vito en ik volgden zo’n beetje als laatste hun voorbeeld. Dat wil zeggen Vito stapte uit. Hij had aan de linkerkant achter de chauffeur gezeten. Mijn portier durfde ik niet te openen omdat onze chauffeur de wagen zo strak mogelijk rechts had geparkeerd om aan de andere kant ruimte te laten. Die portier zou niet ver genoeg open gaan. Dus wachtte ik op Vito en kroop na hem over de enorme leren achterbank naar de linker deur. Ik was blij de auto te kunnen verlaten. Hij was precies voor een open, een in bedrijf zijnd, raam bedoel ik tot stilstand gekomen en ik keek recht in de ogen van een oudere dame, ik denk een Colombiaanse, die onmiddellijk naar mij begonnen te lonken. En ik heb het al gezegd; ik had niet veel te rouwen maar om nu dit oponthoud aan te grijpen voor een wipje leek me wel erg tegen de gebruikelijke gang van zaken bij een uitvaart indruisen. Daarbij wist je ook niet hoe lang dit alles ging duren. En ik ben ’s-morgens nooit zo geil. Ik trok dus een verontschuldigend gezicht; Sorry geen tijd, begrafenis zoals je ziet, naar de vrouw achter glas en volgde Vito de straat op. Het was een goed idee van onze chauffeur -hij was inmiddels zelf ook uitgestapt- om de auto zo strak naar rechts te parkeren en de loopruimte links te laten. Het was niet echt druk geweest toen we de straat inkwamen maar nu met een vloot gestrande Cadillacs was het wel degelijk vol. Vito en ik liepen langzaam langs de rij volgauto’s naar voren en ik telde ze af in het voorbijgaan: negen, acht, zeven, zes.
Vito die zwijgend iets voor Thomas uit had gelopen had ook mee teruggeteld. Voor volgauto zes doken twee jonge vrouwen op, badlakens om de schaars geklede lijven en ook op weg naar het spektakel. Beiden zaten onder de tatoeages. De ene was klein van stuk en donkerharig. Een roofdier sprong vanaf haar schouder op Vito toe. De ander, een kop groter, was blond of eigenlijk geblondeerd met uitgroei op de kruin. Zij had een hele verzameling blauwe sterren over schouders, nek en één van haar bovenarmen. Vito stak ze voorbij en hoorde in het voorbijgaan dat zij Hongaars met elkaar spraken, één van die mengelmoes van talen die hij in zijn jeugd veel had gehoord en die hij prima verstond. Ze hadden het over het koude weer en ene Sandor die een onbetrouwbare klootzak was. Toen was hij ze voorbij, die leraar volgde in zijn kielzog, en daar overzag Vito de rest van de rij. Vijf, vier, drie…Het was volgauto twee die daar scheefgezakt tegen een verkeersboord aanstond, veel te schuin op de weg en de beide linker-portieren wijd open. Nummer twee, de wagen die door dat grietje gereden was. Het grietje in kwestie zag Vito pas nadat hij nog twee Cadillacs voorbij gelopen was. Ze zat op de hoek van haar eigen achterklep naast een enorme zwarte vrouw in een badjas bij wie ze geheel in het niet viel. En toen viel hem ook pas de gesneuvelde ruit op. De chauffeuse zag er in haar witte overhemd verhit uit. Ze keek pas op toen Vito vlak voor haar stond. Die schraapte zijn keel: “Kun je niet verder?” “Hij wil niet starten.” ”Mag ik het proberen?” Mona had de oude man in zijn dunne zwarte overjas en dito hoed even aangestaard. “Wees mijn gast”, antwoordde zij in het vlakke platte Zuid-Hollands waar zij altijd in verviel wanneer ze moe was of verveeld of verslagen: “De sleutels zitten er nog in.”
Voor de tweede maal in zijn leven stapte Vito die morgen in een Cadillac Fleetwood 500 Limousine en nu op de bestuurdersplaats. Hij sloot het portier achter zich, legde zijn handen op het grote houten stuur, haalde diep adem en sloot voor enige tijd de ogen. Auto’s kunnen niet alleen gezien of gehoord worden maar ook gevoeld en geroken. En gezien had Vito alles al voordat hij instapte. Nee hij had niet alles gezien. De merknaam gegraveerd in het chroom van de buitenspiegel was hem ontgaan, evenals het V-8 schildje aan de zijkant van de motorkap, de spaakwielen en velgen met dat veelkleurige Cadillac-logo en ook de fraaie witte bies over de banden, die trouwens niet alle volgauto’s hadden. Vito had afmetingen gezien en ruimtes en lengte maal breedte maal hoogte inclusief uitsteeksels als spiegels, bumpers en uitlaten. De stand van de wielen en de druk op de banden. Dat was de informatie die Vito nodig had.
Vito opende zijn ogen -je start een auto nu eenmaal niet met je ogen dicht, dat doe je niet- en zocht het contact rechts op de stuurkolom. Het klopte wat zij had gezegd; de sleutel stak inderdaad nog in het contact. Vito nam hem eruit -dat moest hij immers zo zelf doen- en woog hem in zijn rechterhand. Vervolgens plaatste hij zijn rechtervoet op het exacte meetkundige midden van het grote rechthoekige rempedaal en trapte de rem stevig aan, om hem daarna weer op te laten komen tot aan het punt waar hij exact de juiste druk onder de bal van die voet voelde. Daarna stak hij de sleutel terug in het contact, haalde nog een keer diep adem en hield die even vast. Bij het eerste uitademen draaide hij de sleutel twee ferme slagen naar rechts. Woesj-Woesj-WOEsj-WOESH, in tweetallen sloegen acht cilinders, ieder ter grootte van een pak melk aan. Drieduizend kilo metaal begon licht te trillen en Vito’s stembanden trilden in precies dezelfde frequentie mee. Onder de motorkap roerden zich meer dan 400 paarden. Waar het nu op aankwam was die bijna allemaal in slaap te sussen, slechts een enkel raspaardje per cilinder aan te spreken en zo de wagen uit zijn benarde positie te bevrijden. En Vito humde mee met de motor, onhoorbaar al was je bij hem op schoot gekropen. Je kon het alleen zien aan het op en neer bewegen van zijn adamsappel boven de blauwe stropdas.
Vito moest zijn rechterarm geducht strekken naar de automatische versnellingspook, ook hij was maar klein van stuk. Hij trok de chromen handle naar zich toe en zette de versnelling in -R-. Tegelijkertijd strekte hij één spiertje, één spier slechts in zijn rechter grote teen op het rempedaal. De motor bracht de achteras in beweging en rolde de Cadillac achteruit. Een Cadillac Fleetwood 500 Limousine weegt in deze omgebouwde vorm ruim drie ton en is meer dan zeven meter lang. Vito zette het gevaarte exact twee centimeter achteruit en bracht de auto weer tot stilstand. Tussen voorbumper en verkeerspaal perste zich de laatste moleculen aan lucht weg.
In de daarop volgende acht minuten stak Vito de auto nog viermaal voor- en achteruit en bij iedere steek won hij exponentieel aan ruimte. Twee centimeter werd vier centimeter, werd acht, werd zestien, en dat was genoeg. Vito zette de Cadillac voor de laatste keer in zijn achteruit, slalomde om het verkeersbord en parkeerde de auto kaarsrecht en exact 32 centimeter -één stoeptegel, twee richels- van de kadastrale grens tussen straat en huisnummer 79. De neus van de limousine exact evenwijdig aan het kapotte raam, zodat zij hem er straks in één beweging uit zou kunnen sturen. Pas toen Vito de auto verliet, viel het hem op hoeveel mensen daar inmiddels stonden. Hij vond Mona die nog altijd naast die grote negerin in badjas stond en liep naar haar toe: “Hij doet het weer.” “Dank je wel”, zei zij en stapte voor hem langs in de wagen.
Ik had het allemaal gezien. Er stonden zeker zestig mensen, maar ik had goed zicht gehad naast de chauffeuse en die prachtige grote negerin. En nu liepen Vito en ik terug de Dobbelstraat af naar onze eigen auto en als bij toverslag zocht iedereen zijn eigen plek weer op, de hoeren hun ramen, de rondhangers hun hangplekken en de chauffeurs en de rouwenden hun wagens. Minuten later reden we weer maar ik had gezien wat ik gezien had en ik zweer je; Als ze die oude zigeuner geblinddoekt zouden hebben dan had hij die auto er ook zo uitgestoken!
Mona had haar vrachtje ook zo weer bij elkaar en gelukkig leek de zoon van de overledene eerder geamuseerd dan verbolgen over het gebeurde. Mona startte de auto stuurde de scherpe bocht naar links in en meteen daarna de tweede ook naar links en net zo scherp en draaide de kade op die ze veertig minuten geleden ook had willen nemen maar dan in tegengestelde richting. De kade liep parallel aan de Dobbelstraat en zo reed Mona terug naar de ingang waar ze de lijk- en eerste volgauto verwachtte terug te vinden. Dat klopte en de chaos was er compleet.
Beide Cadillacs stonden overdwars schots en scheef geparkeerd in het plantsoen voor het standbeeld van de oude filosoof. Ben voerde een verhit gesprek met een motoragent die hem zelf gesommeerd had daar te gaan staan, maar de politie auto daar weer achter kon nog steeds niet door omdat de weg verder versperd werd door een bestelbusje van de gemeente, waaruit twee mannen in oranje hesjes waren gekomen die nu al een hele tijd tevergeefs probeerden een metalen paaltje in het asfalt te doen verzinken. En daar weer achter stond nog een bestelbusje, wit en met achterop zo’n houten rek met glazen platen, en ook deze chauffeur voerde een verhit gesprek per telefoon met zijn baas en dat hij: “Verdomme niet achterlijk was en donders goed wist wat een spoedklus inhield en ook waar de Dobbelstraat was, maar dat hij die met geen mogelijkheid kon bereiken omdat de hele teringzooi hier al tijden vaststond door een zooi gestrande lijklimousines.”
Pas na een half uur kwam één van de agenten op het verstandige idee het grote hek van het naburig park dan maar open te zetten en de vloot daar één voor één naar binnen te voeren, en daar op het grote grasveld werd de rouwstoet hersteld en kwamen alle tien de Cadillacs weer in slagorde te staan. Stuk voor stuk verlieten zij het Huygenspark rechtsaf richting Hoefkade en eindelijk op weg naar de begraafplaats.
Daar stond een zeer nerveuze begrafenisondernemer al eindeloos op zijn polshorloge te staren, terwijl hij ijsbeerde voor het kleine podium met de lege baar en de lege rijen stoelen. Achter op het podium, het was eigenlijk niet meer dan een verhoging was nog net ruimte voor een dress-boy, een paspop zonder hoofd. Het droeg een wit Elvis-pak. De bovenlichten van de aula stonden open. Dat was in maart aan de frisse kant, maar de ondernemer wist uit ervaring dat enkele tientallen rouwende lichamen en een handvol kaarsen de temperatuur in no-time zouden opstuwen. Een briesje ving het lege pak, deed het bewegen en zacht ritselen en heel even scheen het de begrafenisondernemer toe als was hij niet alleen in deze ruimte.
Het witte pak was een replica van de kleding die de King slechts enkele maanden voor zijn dood op zijn allerlaatste tournee door de Verenigde Staten gedragen had, want ome Leen was een Latter Days Elvis geweest. Rietje had het zelf gemaakt met stof van Leo’s Stoffenkoning zelf natuurlijk, op de naaimachine en Leo had het jarenlang bij elke wedstrijd en bij ieder optreden aangehad. Na haar overlijden was hij er subiet mee gestopt. Hij had er geen aardigheid meer in. Niet dat Rietje ooit mee geweest was naar zo’n Elvis-contest, ze keek wel uit, maar als manlief ’s-nachts terugkwam uit één of ander gat in Brabant of Limburg -om de één of andere reden was de Elvis-verering populairder in het zuiden dan elders in het land, en toegegeven het had ook iets katholieks- had ze liefdevol zijn verhalen aangehoord over besmeurde kleedkamers, kapotte geluidsinstallaties en partijdige juryleden. Zij had zijn pak gewassen en de grote gekleurde stras-stenen, zijn nepdiamanten die hij maar bleef verliezen er weer op gestikt. “Je spiegeltjes en kraaltjes zitten er weer op hoor Leen”, had ze dan lachend gezegd en met hem meegeleefd naar het volgende optreden. Ook had ze het pak nog twee keer moeten uitleggen want Leo had met het origineel vooral een sterke aanleg tot corpulentie gemeen. Ze was net als de King maar 42 jaar geworden, borstkanker de gesel van heel veel vrouwen in zijn schoonfamilie en daarmee was het pak voorgoed in de kast verdwenen. Dat was overigens begin jaren 90 geweest en toen was de rek er bij Elvis-minnend Nederland sowieso wel uit. Zelf zou Leendert altijd blijven beweren dat zijn heup de doorslag had gegeven. Maar eerlijk is eerlijk er viel toen gewoon niet meer zoveel te Elvissen. Het waren de dingen die Koen overdacht achter in Mona’s Cadillac op weg naar de laatste rustplaats van zijn vader. Zijn vrouw vroeg zich af wat ze met die hele Elvis-santenkraam aan moesten wanneer ze binnenkort zijn huis zouden ontruimen.
Brenda had ondertussen haar eigen gedachten. Zij had het vertrek van de hele vloot uit de Dobbelstraat niet afgewacht, maar was meteen nadat Mona weer was ingestapt terug gegaan door de kapotte deur naar haar peeskamer. Daar had de verhuurder haar gebeld en die had weer van de glaszetter begrepen dat die er met geen mogelijkheid door kon omdat de hele buurt werd geblokkeerd door verlengde Cadillacs en of zij hier iets van wist? Op dat moment had zij haar besluit genomen: “Weet je wat je doet, kom zelf kijken. Ik laat de sleutel en de daghuur op de kamer voor je achter. Ik ben weg hier, heb het hier helemaal gehad.” Daarna was ze op het krukje voor de kapspiegel gaan zitten en had zich in razend tempo afgeschminkt -aanbrengen duurt altijd langer- haar ‘eigen’ ondergoed, geen naadkruiper, aangetrokken, het witte trainingspak en de rode gympen. Wat van haar was, stopte ze in een sporttas en daarna had ze deur achter zich dicht getrokken zonder die op slot te doen, want een deur afsluiten waarvan het raam eruit ligt en iedereen toch zo naar binnen kan, is zinloos en ziet er zelfs belachelijk uit. Tegen de richting van de rouwstoet in liep ze de Dobbelstraat af en sloeg voorgoed wat haar betrof de hoek om. Halverwege het station had ze de Cadillacs voor het laatst gezien. Zij kwamen één voor één het park uit en Brenda moest haar pas inhouden en uiteindelijk zelfs stoppen om de laatste wagens voorrang te verlenen. Dat grietje was toen al voorbij maar in de laatste auto zat een ander bekend gezicht. Het was die zigeuner die die hele processie zojuist voor haar deur weer los getrokken had. Bianca glimlachte naar hem maar hij leek haar achter het gesloten zijraam niet op te merken.
We waren de Dobbelstraat koud uit toen de volgauto zowaar het Huygenspark inging en het gras opreed. In eerste instantie dacht ik nog dat ze nu echt helemaal kierewiet waren geworden maar het bleek achteraf een heel verstandige zet. Want in het park hadden ze de rouwstoet zo weer in de juiste volgorde en daarna was het eigenlijk allemaal in no-time gepiept. Toen wij als laatste het park uitreden zag ik die prachtige negerin opeens weer. Zij stond op de stoep, sporttas in de hand, op het voorbijgaan van de stoet te wachten. In het voorbijgaan keek ik haar lang na. Ze droeg een wit trainingspak met op de borst de driepuntige ster van Mercedes-Benz. ‘Das Beste Oder Nichts’ stond op haar rug. Ik bedacht dat je zo in de voorjaarszon geen idee zou hebben wat zij voor haar werk deed. In trainingspak zag ze er zo meer uit als het type dat volleybal speelt voor landen als Brazilië of Cuba. Daarna deed ik mijn ogen dicht en waande me bij het ware gebeuren in een snikheet Memphis, Tennessee, 18 augustus 1977. In werkelijkheid was ik toen negen en had het nieuws op de radio gevolgd terwijl mijn moeder in de achterkamer stond te strijken. Toen ik ze weer opendeed, waren wij al op het kerkhof.
Een klein zaaltje, twee toespraakjes en drie keer muziek. Drie keer Elvis natuurlijk en drie keer de suikerzoete variant; ‘in the ghetto’, ‘are you lonesome tonight?’ en als laatste ‘love me tender’. Ik had het er na afloop in Spoorzicht nog even met Koen over gehad: “Ja dat was zijn ding joh, dat suikerzoete, dat deed hij het liefst. Op het podium was ‘wooden heart’ zijn absolute favoriet en dan vooral dat afgrijselijke stukje steenkolen Duits middenin. Kon die ouwe lekker schmieren en dan ook wierp hij zijn zakdoekjes en sjaaltjes en kushandjes naar het aanwezige vrouwvolk”. Maar ‘wooden heart’ heb ik jullie maar bespaard, en verder heb je gelijk Thomas, ik had ook liever ‘suspicious minds’ gehoord. Maar ik was al lang blij dat die nummers tenminste kort waren, na al die toestand op de heenweg.” De terugweg was echter zo gepiept. Terwijl wij Leendert naar het graf begeleiden, was afgesproken dat we ook gemakkelijk in drie Cadillacs terug konden. Dan kon de rest nu alvast terug naar het taxibedrijf voor de schadeformulieren voor die licht ontzette achterbumper en die kapotte ruit, naar ik aannam en zo was ook geschied. Ik had dezelfde chauffeur als heen, maar nu een plekje naast hem op de voorbank en hij reed deze keer helemaal vooraan en ik kan je verzekeren, door zo’n gigantische voorruit over dat dashboard zag het er allemaal weer heel anders uit.
En zo waren we inmiddels al weer een aantal uur geleden teruggekeerd naar café Spoorzicht en nu was het hoog tijd om echt op te breken. Petertje, precieseling als hij was had de bar al geheel opgeruimd en schoon voor de vrijdag. Ik gaf hem mijn al lang lege koffiekop en ging op zoek naar mijn jas. Koen werd in de zijne geholpen door zijn vrouw van wie ik inmiddels wist dat ze Marloes heette en die me geen onaardig mens leek. En daar stond de jongste zoon van Leendert Ignatius Maria Suurendonk, afgelopen zondag overleden, heden aan de aarde toevertrouwd. Beroep; koopman op de Haagse Markt in stoffen en in ruste, roeping; Elvis-impersenator, maar dat kon je geen beroep noemen al was het maar omdat Rietje altijd al had gezegd dat er meestentijds dik geld bij had gemoeten. Koen dronk, overjas al aan, de allerlaatste druppels bier uit zijn glas en toen zei hij het nog maar eens en wellicht ten overvloede: “Nou uiteindelijk hebben we pa dan toch netjes begraven niet? We waren dan wel ruim een uur te laat maar dat was-ie wel gewend van zijn Elvis-wedstrijden.”