Select Page

Sneeuwblind

 

Het meest opvallende aan het hele voorval was dat het hem zelf niet eerder was opgevallen. Nergens in het hele traject van tegenzin overwinnen, envelop openen, protocol doornemen -twee absent, maar the usual suspects, vier dyslecten in een aparte map, aanwezig- , werk in versies uitsorteren, antwoordmodel selecteren en rode pen pakken was hem ook maar iets ongebruikelijks opgevallen. Daarna moet het werk van de hele klas in totaal twaalf keer door zijn handen zijn gegaan. Hij keek altijd horizontaal dat wil zeggen vraag voor vraag na, dat geeft een eerlijker beeld en het corrigeert ook makkelijker, maar niets, niets, niets. Het allervreemdste was echter dat zelfs bij het inschrijven van de cijfers, eerst met pen in zijn agenda en daarna digitaal het schoolsysteem in, het hem nooit was opgevallen dat het werk niet volledig was.

Nu was het maandag 7 juli, de laatste maandag van het schooljaar en het eerste uur al snikheet. Thomas snakte werkelijk naar het einde, dat jaar in jaar uit later en later leek te arriveren. De chaos begon steevast eind mei wanneer er drie dingen samenvielen; zijn verjaardag op de 24e, de werkweek naar Berlijn met HAVO-vier en het eindexamen. Op deze verjaardag, het was de vrijdag van de terug reis was hij nog voor het ontbijt een klein stukje alleen gaan lopen over de Kurfürstendamm niet verder dan de hoek Knesebäckstraat, een klein cadeautje aan zichzelf. Precies daar op die hoek was hij in 1986 gefotografeerd, nog net geen achttien jaar oud en zelf scholier. Eerder die week hadden zij zwart gewisseld met en clandestiene wodka gekocht van de obers in het jeugdhotel. Zij hadden ersatzkoffie gedronken op een uitgestorven Alexanderplein en ’s-avonds in de hotelkamer had hij Mariëlle het blonde meisje uit de bèta-klas gekust en gestreeld tot de zon weer opkwam en zij met de bus door Checkpoint Charlie aan de Friederichstrasse waren teruggereden naar het vrije westen, waar de stad gonsde van de geruchten over een kerncentrale die ontploft zou zijn ergens in het oosten, ergen in de Sovjet-Unie. Het leek Thomas totaal ongelooflijk dat dat alles al ruim 25 jaar geleden was. Laat in de middag toen de bus bij school arriveerde had de afdelingsleider hem opgewacht met een tas met daarin drie grote enveloppen, examenwerk van 82 kandidaten, zestig havisten en 22 VWO-ers, werk gemaakt op de dinsdag van die week, precies toen hij in Potsdam zat en dus al drie dagen oud, en daarbij twee flessen wijn: “Eén voor je verjaardag en één voor Berlijn.” “Dank je”, had Thomas gezegd en hij had zijn bullen bijeengeraapt de trein naar huis gepakt en ze onmiddellijk leeg gezopen. Ze konden toch moeilijk van hem verwachten dat hij gelijk dezelfde avond al aan de correctie van het examen zou beginnen.

En zo was het hele zomercircus van meet af aan van een verkeerd spoor vertrokken. Correctie HAVO; 60 maal 24 =1440 vragen gescoord. Correctie VWO; 22 maal 26 = 572 vragen gescoord. Versnelde Wolf-score inleveren ten behoeve van de normeringscommissie. Bovengenoemde hoeveelheid vragen nogmaals corrigeren nu als tweede corrector. Onderhandelingen met tweede correctoren -zij vonden hem altijd te soepel- als examinator en dan omgekeerd als tweede corrector -hij wilde alleen het gezeik beperken- met andere examinatoren. Dan dit hele circus nog een keer op miniatuurniveau voor de herkansende kandidaten, examenvergaderingen en tenslotte het ceremonieel voor de diploma’s. En onderwijl liepen de voorexamen klassen gewoon door en werden de leerlingen aldaar voorbereid op de laatste proefwerkweek. Thomas had dit jaar vier pre-examengroepen. Twee clusters vier HAVO, waar de sfeer einde jaar eigenlijk altijd prima was. Veel van de jongens waren met hem in Berlijn geweest en dat schiep altijd een band. Van de meisjes waren er ook een flink stel in Parijs geweest. “Dat Berlijn schijnt sowieso nogal een zuipreis te zijn”, zijn collega Frans had het gezegd op de voorlaatste teamvergadering. “Ja Hermien, maar in de Parijse discotheek waar jullie heen gaan kost een biertje 21 euro, in Berlijn is dat 1.80, dat maakt nogal wat uit.” Verder was hij er niet op ingegaan, en hij had er zelf trouwens ook niet van kunnen profiteren. Want drinken op werkweken dat had hij afgeleerd. Daarvoor kende Thomas zichzelf net iets te goed, alhoewel hij de schade dit jaar na thuiskomst wel erg ernstig had ingehaald.

Maar goed wanneer je er rekening mee hield dat deze leerlingen ook de laatste twee weken tot aan het slotproefwerk niets maar dan ook werkelijk niets zouden uitvoeren, viel er best mee te werken. Daarnaast had Thomas dit jaar een ongelooflijk lieve en hardwerkende 5-VWO, slimme meiden voornamelijk en een 4-t-VWO vol zeikheidekabouters. Bij de laatste proefwerkbespreking had hij Mariëlle Hasselbach gedreigd met puntenaftrek wanneer hij nog een keer de naam Hitler met een hartje in plaats van een puntje op de i in haar antwoorden zou vinden. “Nou belachelijk, daar mag U volgens mij helemaal geen punten voor aftrekken.“ Geen greintje humor, het soort klas dat het liefste een advocaat meebrengt naar de toets besprekingen, zo’n klas. En de proefwerkweek was niet ongunstig ingedeeld. A4a al op maandag en onder eigen surveillance, dus dat scheelde in het spieken en hij had de volle week voor die correctie. Op zijn vrije donderdag de twee 4-HAVO groepen, wier werk hij vrijdagochtend bij de administratie op kon pikken, Wanneer 5-VWO geschiedenis zou hebben, opnieuw onder eigen surveillance. In de middag een ellenlange surveillance; schrijfopdracht Engels voor diezelfde leerlingen, van 13:00 tot 17:00, die zijn college Engels Jacob Groen altijd zelf deed maar die had die middag een condoleance. “Ik neem die vrijdagmiddaggroep wel van je over”, had Thomas aangeboden: “Ze hebben die ochtend net geschiedenis gedaan dus terwijl zij schrijven kan ik mooi corrigeren.” Correctie tijdens surveillance was officieel verboden maar de school zou op deze vrijdagmiddag al spoedig leeg zijn. Daarbij waren het individuele schrijfopdrachten, hier dus geen kans op fraude. “Ik laat ze wel lopen hoor als ze klaar zijn”, een andere regel gebroken, maar die regel was bedoeld om de rust op de gangen te waarborgen voor andere klassen en die waren er dus niet op die late vrijdagmiddag. “Wat jij wilt, ik ben al lang blij dat jij het wilt doen. Leg het werk na afloop maar in mijn postvak want er zal wel niemand meer op de admi zijn dan.”

Die vrijdag was er om vijf voor vijf nog welgeteld één leerling aanwezig in lokaal 23. Eline Goedemans, geen geschiedenis in haar pakket zat, puntje van de tong uit de mond, nog te schrijven aan haar essay over Lord of the Flies. Thomas verlangde naar zijn gemakkelijke stoel. “Het is bijna tijd, ik wilde zo gaan afronden.” Eline keek niet op, ook stopte haar pen niet met schrijven. “Ik ben dyslectisch, ik heb nog een half uur.” ”En waarom zit jij dan niet in het dyslectenlokaal?” “Omdat er geen dyslectenlokaal is op de vrijdagmiddag meneer.” En daar viel ook geen speld tussen te krijgen. Dus zat er niets anders op dan ook dat laatste half uur gelaten uit te zitten. En er stond tegenover dat de correcties voor het hele VWO al gedaan zouden zijn en dat de avondslijterij aan het Spui zo gewoon open zou zijn. Nog net voor de allerlaatste schoonmaker verlieten zij het pand, vlak voordat het alarm er op zou gaan. Twee gedaan, twee te gaan, cijfers inleveren maandagochtend voor 8:00 uur en dan de allerlaatste week; maandag bespreken, dinsdag boeken innemen, woensdag en donderdag vergaderen en vrijdag plenair slot-geleuter. En dan zes weken niets, niets, niets, een zwart gat waar Thomas hevig naar verlangde en waar hij ongelooflijk bang voor was.

Het was kwart voor zeven eer Thomas terug was in de stad, te laat om nog bij zijn Haagse buurvrouw Monica langs te gaan voor een maaltijd, wat gekkigheid met haar tweejarige dochter Tamara die gek op hem was, en wanneer die een beetje bijtijds zou slapen en hij geluk zou hebben een vrijpartij met moeder op de bank. Maar zij zouden nu al lang gegeten hebben. Bovendien waren Monica en hij de laatste keer niet echt lekker uit elkaar gegaan. En dus deed Thomas zijn ronde alleen; coffeeshop, sigaretten en extra vloei bij de avondwinkel, een fles wodka bij de avondslijterij met de hindoestaanse prinses achter de kassa en als laatste een afhaalchinees. Toen Thomas de deur van zijn flat achter zich dicht trok was het nog heerlijk warm.

Thomas had net een bord vol rijst, foeyonghai, babi pangang, twee mini-loempia’s en kroepoek opgeschept en zich een jumbo-borrel gemixt toen de telefoon ging. Monica was zijn eerste gedachte maar dat kon niet want Monica was een jonge vrouw en belde altijd zijn mobiel. Dit was de landlijn. Dat hield twee mogelijkheden over; Eén een verlaat telefoontje van zijn tweede corrector over het herexamen van Alexander van der Hoorn zijn enige herkanser op het VWO dit jaar. Dat zou heel laat zijn, maar Thomas had het werk ook pas op het allerlaatste moment bij de admi ingeleverd. In stille hoop op stilzwijgende goedkeuring -dat was niet ongebruikelijk bij herkansingen, alleen je wist het nooit zeker- en bovendien was hij ook niet altijd even goed bereikbaar geweest de afgelopen week. Het was wel het laatste waar hij op dit moment op zat te wachten. De tweede mogelijkheid was dat het zijn moeder en daarmee het allerlaatste waar hij op zat te wachten zou zijn. Aan de andere kant, als hij haar nu te woord zou staan was hij er ook weer vanaf voor het weekend. En wanneer hij zijn wodka-consumptie die avond enigszins christelijk zou weten te houden, kon hij wellicht al morgenochtend de laatste twee klassen corrigeren en misschien op zondag met Monica en Tamara naar het park of iets anders, iets anders dat normale mensen op de zondagochtend doen als de grote klus geklaard is. Daarbij als het zijn moeder was had ze waarschijnlijk al eerder gebeld en zou ze het waarschijnlijk blijven proberen. Thomas schonk zijn glas nog eens snel bij en liep naar de rinkelende telefoon.

“Thomas Verburgh, met wie spreek ik?” de officiële riedel, het kon immers ook nog die vervloekte herexaminator zijn. Aan de andere kant van de lijn een zucht. “Met je moeder, ik had je al drie keer eerder gebeld. Wat neem je laat op.” “Ik was mijn eten aan het opscheppen. Ik was laat klaar op school vandaag. Hoe is het?” “Nou vrijdag he, dialysedag, dat weet je toch wel?” Thomas’ moeder was nierdialysepatiënt. Drie maal per week werd zij in het ziekenhuis voor uren op een machine aangesloten om te spoelen. Het weerhield er haar niet van dagelijks minimaal een halve liter jenever naar binnen te werken op zich al een prestatie bij een vochtbeperkend dieet en daarbij nog alle cola en de ijsblokjes die ze erbij kauwde. De ziekte was erfelijk en daarbij rookte zij ook nog eens als een ketter. Thomas hoorde zijn moeder aan de andere kant van de lijn haar Kent sigaret inhaleren. Daarna begon zijn moeder aan een lang betoog over hoe zij die morgen om twaalf uur een taxi terug had besteld, maar dat die pas om twee over twaalf arriveerde en wat ze daarvan gezegd had tegen de chauffeur. Arme man, dacht Thomas terwijl hij zelf opstak en zijn glas aan zijn lippen bracht. In het hare hoorde hij de ijsblokjes zacht rinkelen. Zij nam een slok. Hij had zoals altijd vergeten ijs te maken maar zo ging het ook. Thomas keek op zijn horloge, het gesprek was acht minuten op gang, vier keer zo lang als die hele vertraging bij de taxistandplaats ooit geduurd had, en toen was er tijd voor het tweede vaste thema in haar recente telefoongesprekken; haar stoelgang. Tijdstip, vorm, substantie, geur en kleur van de ontlasting, hoeveel pijn het had gedaan en waar precies. Dat kostte nog eens acht minuten, waarna het wat haar betrof tijd werd om op te hangen. “En met jou alles goed”, het vraagteken achter deze zin kon rustig achterwege blijven. Zijn moeder had nul interesse. Met mij alles prima, dat had hij moeten zeggen, moeten zeggen en dan ophangen en dan schijt hebben en dan doordrinken. Maar dat deed hij niet.

“Ach wat kan ik zeggen? Het liep de afgelopen week niet echt tussen Moon en mij, maar verder…” Dat was fout…Thomas hoorde zijn moeder zuchten. “Weet je Thomas, je bent nu ruim volwassen. Ik geloof niet dat ik het erg plezierig vind om voortdurend over jouw vriendinnetjes te moeten horen. Dat kun je je in mijn positie toch zeker wel voorstellen? Ik beschouw dat eerlijk gezegd een beetje als lastig vallen, begrijp je?” “Ik begrijp je volkomen mama,” Thomas sprak dof en toonloos: “Drie maal per week een uitgebreid exposé over de staat van jouw stront, dat is heel normale conversatie tussen een moeder en haar volwassen zoon. Zeker als je ook nog steevast net op het punt staat te gaan vreten!” Daarna had hij de hoorn op de haak gesmeten en nijdig zijn chinees in de magnetron geschoven waarmee alle vreugde uit die maaltijd verdwenen was. Want zeg nou zelf het grote genot van afhaalchinees is toch dat je die althans de eerste keer niet hoeft op te warmen maar meteen kunt opscheppen?

En na het eten was er niets anders te doen geweest dan verder drinken en verder en verder en verder. Thomas zat in zijn stoel, de stereo te hard en zag zijn moeder voor zich in de rommelige woonkamer van zijn ouderlijk huis. Zij zou net als hij nu alleen zijn, nog op zijn, nog zitten te roken, nog zitten te drinken, nog zitten te staren in het niets. Wat hadden zij in zijn jongere jaren daar vaak samen gezeten. Muziek, boeken, televisie, de wereld het leven besprekend en offerend aan de alcohol god in een innig gevoeld nachtelijk verbond. Maar de alcohol droeg een januskop, liet hand over hand nog alleen zijn allerlelijkste gezicht zien, een nachtmerrie, een voorland. Het verbond was verbroken en er was niets, niets voor in de plaats gekomen. Toen thomas eindelijk de moed had gevonden naar zijn bed te gaan was de fles zo goed als leeg geweest.

Zaterdag op herhaling; , nieuwe fles, nieuwe wiet en oude chinees. Monica belde niet, moeder belde niet, Thomas belde niet. Thomas lag op de bank en zapte. Een bekerfinale waarvan hij de volgende dag aanvankelijk vergeten was wie hem gewonnen had. Of had hij het einde nooit gezien? En verder was er nog een haast surreëel programma dat over vier broers in Duitsland ging die daar een autosloperij runden. Een van hen moest zwaar autistisch zijn want die wist van honderd- en honderdduizenden onderdelen uit zijn hoofd –‘Haben wir’- waar ze te vinden waren op het enorme terrein. Het heette Die Ludolfs en Thomas was onmiddellijk fan. In deze aflevering kreeg de jongste van de vier een verjaardagscadeau van zijn drie broers; een oude Opel Diplomat B uit 1971, waar hij als jonge jongen ook in gereden had, en waar zijn drie broers, alle Mercedes-rijders het één en ander hadden aan te merken in een Duits waaraan geen touw vast was te knopen. Tenslotte zag hij nog een documentaire op National Geographic over fotokeratitis , de aandoening die met een lelijk Nederlands woord lasoog wordt genoemd en met een veel mooier sneeuwblindheid. Daarna staarde hij nog lang met gesloten ogen in het duister, alle wodka ten spijt.

En op zondag zou Thomas ongetwijfeld hetzelfde hebben gedaan als het al zomervakantie was geweest maar het was nog geen zomervakantie. Op zijn bureau lagen nog altijd twee toetsen vier HAVO ter correctie. Het liep tegen drieën voor hij besloot zich aan de eerste klas te zetten. Om zes uur at hij inmiddels heel erg oude chinees en daarna deed hij de tweede en laatste klas. Negen uur ’s-avonds was ook die gedaan en meteen daarna voerde hij alle cijfers in de computer. Dat kon tot maandagochtend acht uur en daarmee was de laatste deadline van het schooljaar gehaald. Met elf uur over, dacht Thomas terwijl hij het cijferprogramma afsloot. Het viel mee dat er geen aftelklok zoals bij nieuwjaar op het scherm had meegelopen. Dat was echt iets voor zijn afdelingsleider Ruud geweest, maar hij was er waarschijnlijk zelf nog niet opgekomen. “Zo en nu eerst een wodka”, zei Thomas hardop tegen het blauwe computerscherm en daarna had hij de staart van fles twee geleegd. Dronk hij te veel? Ongetwijfeld maar wat wil je met zo’n voorbeeld en voor dit schooljaar was hij tenminste veilig. Op naar de laatste week.

En ook die maandagochtend leek er -op de gebruikelijke brakheid na- aanvankelijk geen vuiltje aan de lucht te zijn. Eerst 5-VWO, een snelle bespreking die nauwelijks tot vragen leidde en daarna A4a wat lastiger was maar ingecalculeerd. Uiteindelijk iedereen tevreden met het cijfer met uitzondering van Mariëlle Hasselbach maar ook dat was ingecalculeerd. Mariëlle eiste de volle acht punten op omdat naar haar zeggen haar antwoord identiek was aan dat van buurvrouw Rosanne van wie ze het antwoord ongetwijfeld en ondanks Thomas’ eigen surveillance had overgeschreven en die die punten wel gekregen had. Maar Mariëlle had slordig gespiekt. In haar antwoord ontbraken enkele woorden die er nu voor zorgden dat haar uitleg voor tweeërlei uitleg vatbaar werd en dus minder goed was dan dat van Rosanne. Mariëlle Hasselbach liet niet los. Voor de vierde keer bracht zij hetzelfde argument naar voren. Haar enorme borsten bedekten haast het proefwerk dat tussen hen in lag. Zijn gedachten dwaalden af naar Berlijn lang geleden. Zijn Mariëlle, Mariëlle Gravenstijn had juist kleine borsten gehad, klein en stevig in een witte bh waarvan Thomas heel lang naar de sluiting die hij helemaal niet bleek te hebben op zoek was geweest, en die hij eenmaal vast het liefste nooit meer had losgelaten daar in die hotelkamer in de DDR. “En Rosanna schrijft hier…” Uiteindelijk had hij toegegeven en haar cijfer met drie-tienden verhoogd maar pas nadat de bel was gegaan en de anderen vertrokken waren want hij kende zijn pappenheimers; verhoog in die klas één cijfer en ze vallen je tot eind augustus lastig. Daarbij zou het eerste proefwerk na de zomer over het interbellum in deze klas een pittige worden en dan zou Mariëlle Hasselbach die nu met die zelfvoldane pestgrijns op haar domme smoeltje zijn lokaal verliet die punten vanzelf weer verspelen voor haar schoolexamen en dat deed Thomas genoegen. En pijn want het was niet de voldoening waarvoor hij ooit leraar had willen worden. Na de kleine pauze had hij nu alleen nog HAVO-vier te bespreken waarbij hij geen problemen-afgezien van de herrie die ze konden maken- verwachtte. Het nakijkwerk was vers van gisteren en alleen de vijfde vraag over Thorbecke zou aanleiding kunnen geven. Maar havisten willen over het algemeen maar één ding weten. Is het boven de 5.5? Nou dat was het op een enkele uitzondering na en degenen die bij meneer Verburgh onvoldoende scoorden hadden meestal een hele waslijst aan andere en zwaardere onvoldoendes om aandacht aan te besteden. Als ze al kwamen opdagen voor een proefwerkbespreking.

“Lieve mensen gaat u allemaal snel zitten aub dan zullen wij het laatste proefwerk van het jaar gaan bespreken. U kent de formule; ik deel uw werk en de opgaven uit. Ik geef u de correcte antwoorden en dat doe ik in stilte en pas wanneer ik de laatste vraag, vraag twaalf heb behandeld is er ruimte voor individuele vragen. Wat zijn individuele vragen? Vragen die beginnen met: ‘Maar meneer op mijn blaadje staat… ‘ Die stel je als ik je werk weer kom ophalen -opgaven mag je behouden als oefenmateriaal voor het examen volgend jaar.- en dat is dan ook je laatste kans. Wie niets heeft te vragen mag weg. Verder geen vragen? Ok dan, vraag één…, die over de kiesrechtuitbreiding.”

“Meneer?’ Thomas besloot bewust niet op te kijken. “Individuele vragen na de bespreking graag…, nu voor 1848…” “Meneer Verburgh?” “Individuele vragen NA deze bespreking…Nu voor 1848 was het zo dat…” ”Meneer Verburgh, ik heb mijn proefwerk niet teruggekregen.” Ik heb mijn proefwerk niet teruggekregen, zes woorden niet eens luid uitgesproken maar ze troffen Thomas als zes schoten uit een revolver. Het was Esmée Hermans die gesproken had. Een onopvallende leerling, één van de grijze meisjesmuizen, altijd aanwezig, cijfers altijd tussen de zes en de zeven en zelden of nooit een andere vraag dan of ze even naar het toilet mocht. Ze viel nogal in het niet bij Inez Berends haar vriendin die naast haar zat en met wie ze alles maar dan ook werkelijk alles leek samen te doen. Je hebt van die meisjes die tussen hun dertiende en zeventiende als met een touwtje aan elkaar lijken te zitten. Mariëlle en Rosanna uit A4a, Inez en Esmée in deze klas. Zoals bedacht Thomas zich in zijn eigen schooltijd ook ieder leuk meisje een beste vriendin als een bijwagen met zich mee leek te voeren. Inez met haar lange vuilblonde haar en felle groene ogen zou het leuke meisje voor hem geweest zijn Esmée slechts de bijwagen. Maar deze bijwagen stelde hem wel voor een groot probleem nu want een proefwerk kan immers niet zo maar verdwijnen. Dat mag niet. En het probleem werd ronduit paniek toen Thomas snel zijn agenda raadpleegde en daar zag wat hij een uur of veertien eerder had moeten zien, dat niet alleen het proefwerk maar ook en dat was belangrijker het cijfer ontbrak. Het vijfde en laatste hokje achter haar naam bleek leeg. Tussen de extreem hoge cijfers van Hagenbeek, Joyce boven haar en de dieprode lijst van Jonge, Thomas de, die natuurlijk bij deze bespreking zelf schitterde door afwezigheid, onder haar had een cijfer, een zes komma, nog wat moeten staan. Maar het stond er niet. “Esmée heeft ook geen cijfer voor geschiedenis in haar eigen lijst.” Haar vriendin Inez die kennelijk ook de toegangscode van Esmée wist, zat met haar telefoon in haar hand. “Vreemd hoor ik had het mijne gisteravond om negen uur al.” Thomas checkte de protocollijst van de toets. Hermans, Esmée aanw. Vertrek: einde zitting, getekend door een collega wiskunde, niet bepaald de persoon om toetsen kwijt te raken. Het enige dat Thomas zich nu nog kon bedenken was dat haar toets nog ergens op zijn werkkamer zou rondslingeren, ergens ondergeschoven bij een stapel nog te doen, maar het klopte niet. Het jaar was op, er waren geen stapels nog te doen meer over. “Zoek me morgenochtend op wanneer je je boeken inlevert. Ik zal vanmiddag nog voor je zoeken. Als ik hem vind, kijk ik hem gelijk na en dan kan hij morgenochtend nog met de gecorrigeerde cijfers mee. Het spijt me Esmée maar meer kan ik op dit moment niet voor je doen.” Maar bij de verdere bespreking was hij er hopeloos uit geweest en toen hij die middag thuis kwam, voelde hij zich als door een tram overreden.

Het eerste wat Thomas thuis deed, was de computer aanzetten en het cijfer van Mariëlle Hasselbach uit A4a verhogen. Daarna zocht hij het scherm van H4c op. Het gat in de cijferlijst zat er uiteraard nog en dus was het zaak nu eerst dat vermaledijde proefwerk op te sporen en te waarderen. Tot die tijd sowieso geen drank. Hij hield het zoeken zo precies zeven minuten vol. Bureau? Nee. Boekenkast? Nee. Achter zijn computer? Nee. Nog in een plastic tas? Nee. Onder het bureau? Nee. In de koelkast? Nee, al stond daar wel de Oblomov. Eentje dan alvast? Voor tegen de zenuwen? Maar dan wel het glas mee naar de werkkamer om door te zoeken. Zes minuten tot het tweede glas, negen tot het derde. En toen was Thomas zijn zenuwen de baas en was de oplossing binnen handbereik. Zelfs de computer stond nog aan. Thomas zette zich achter zijn bureau en klikte zijn cijferdossier aan. Op het scherm verscheen het logo van de school met daaronder een waarschuwing: ‘Alle cijfers moeten voor 8 juli 8:00 uur ingevoerd zijn!’ Vijftien uur te gaan dus, vijftien uur voor één individueel proefwerk, eentje nog. Terwijl hij met zijn muis het juiste cluster selecteerde nam Thomas een stevige slok van zijn wodka. Daar stond ze; Esmée Hermans, cijferlijst geschiedenis. Drie toetsen en één schrijfopdracht al ingevuld voortschrijdend gemiddelde tot dan toe 6.3. Thomas voerde hetzelfde cijfer in op de open plek. Het jaargemiddelde veranderde uiteraard niet. Hetzelfde gebeurde met 6.4, 6.5 en 6.6. pas bij 6.7 gaf de computer één-tiende meer als jaarwaarde aan. Een zes en een half dus. Hij voerde het cijfer in en drukte direct op bewaren waarmee het cijfer definitief en wereldkundig werd en sloot direct daarna het programma af in het heerlijke vooruitzicht dat de volgende toetsweek ergens in oktober zou zijn.

Het enige probleem dat er nu nog zou kunnen ontstaan was opnieuw de inzage. Je kon een toets die je niet had ook niet laten inkijken door de leerling. Maar dit was vier HAVO. Nog nooit had een leerling die een bespreking gemist had hem achteraf om inzage gevraagd. Zeker niet als ze gewoon over waren en dat was Esmée en de zomervakantie voor hen dus feitelijk al begonnen was. Hier zou geen haan ooit nog naar kraaien. Mochten ze, mochten ze over tienduizend jaar deze beschaving opgraven dan konden de historici van dan zich druk maken over de vraag hoe het kon dat Esmée Hermans uit H4c in dit schooljaar vijf cijfers voor geschiedenis had ontvangen terwijl er maar drie toetsen en één schrijfopdracht boven aarde gebracht waren. Wie dan leeft, die dan zorgt.

De volgende ochtend was Thomas vroeg op school voor nog één dag stom mechanisch werk; het innemen en keuren van de schoolboeken die de leerlingen klas na klas kwamen inleveren. Het was werk dat Thomas hartgrondig verafschuwde. Hij draaide nog liever een veldsportdag van de brugklas tijdens de introductiedagen in de regen. En dat was merkwaardig want boeken innemen was nou typisch iets dat ook met een milde kater viel vol te houden en dat kun je niet zeggen van een brugklas sportdag. Het gekke was dat Thomas zich nooit eerder had afgevraagd waarom boeken innemen hem zo vreselijk tegenstond, maar de avond tevoren het was elf uur en Thomas zat nog altijd op zijn balkon, drank en shag onder handbereik toen het ineens tot hem doordrong. Nee sterker, hij zag het haarscherp voor zich; herbeleefde het. Het was 1981, 82, 83. Thomas zat op het Stedelijk waar mevrouw Wisgrof-Tuinders als bibliothecaresse over de schoolboeken ging. Nooit had hij een complete lijst in weten te leveren, steevast werd hij terug gestuurd naar huis om te gaan zoeken, vernederd, om dan weer met lege handen aan te komen. En dan volgden brieven naar zijn ouders, brieven met rekeningen. Het merkwaardige was dat hij rare ouders had. Zijn moeder zeurde wel en dreigde met zakgeld inhouden maar ze hield dat nooit vol. De rekeningen werden betaald, naar hij aannam en het volgende jaar was het weer precies hetzelfde. Maar de scherpe opmerkingen van mevrouw Wisgrof-Tuinders, die boekenbitch waren blijven hangen. En daarom keurde thomas alles goed wat hem werd aangeboden al was het een stapel pleepapier met een kaftje. Hup op de stapel, niet meer naar kijken. Het innemen was een voortdurende carrousel van collega’s. Bewijs maar eens dat ik ze heb ingenomen.

Het innemen van de boeken gebeurde die ochtend in het aardrijkskundelokaal dat groot was. Thomas zag dat er een plek vrij was naast Jacob Groen en nam daar plaats. Geschiedenis, wiskunde en economie waren de vakken waarvoor Thomas zou gaan innemen. De lijsten lagen voor hem klaar. Klas H4c was trouwens als eerste aan de beurt. Het was zijn naamgenoot Thomas de Jong die het spits afbeet. Typisch Thomas; een jaar lang consequent te laat in de les maar nu er voordeel te behalen viel -goedgekeurde boekenlijst = zomervakantie- wel haantje de voorste. “Hé Verburgh”, begroette de leerling hem om vervolgens een exemplaar van Getal en Ruimte aan te bieden dat werkelijk met geen tang aan te pakken viel. Thomas bekeek het zielig hoopje boek tussen hen beide in. “Nou Thomas dat ziet er niet al te best uit. Je hebt dit boek zeker heel intensief gebruikt dit jaar?”

Thomas beaamde onmiddellijk, de slimme luis. ”Het was aan je cijfers niet te merken, vriend. Waarom lever jij trouwens überhaupt je boeken in? Je bent toch blijven zitten?“ “Jawel meneer, maar regels he, je kent het hier.” Nog altijd die grijns. “Het is goed”, zei Thomas terwijl hij een paraafje op de lijst van de leerling zette: “Fijne vakantie; Volgende graag.” En daarna kwamen ze één voor één of in twee- en drietallen binnen, al in uitgelaten vakantiestemming. Volle boekentassen op de schouders bij binnenkomst en, heel symbolisch eigenlijk, leeg bij vertrek. Betekent vakantie ook niet letterlijk zoiets als leegmaken? Thomas, de leerling, had het inmiddels aan de stok met zijn collega Verweij van biologie die beide Thomassen niet kon luchten of zien, een naargeestig mannetje. ”En wat is dit? “ , wilde collega Verweij nu weten. Hij hield een boek opengeslagen en voor iedereen zichtbaar omhoog. Op bladzijde 32/33 was een enorme penis getekend, wat het trouwens tot een rare vraag maakte voor een docent biologie bedacht Thomas, de leraar zich. ‘De Haas is een lul!’, stond erboven en ook daar was -al was deze collega inmiddels met pensioen- ook geen woord aan gelogen. “Stond er al in toen ik het kreeg”, dat zeiden ze allemaal. Thomas had het zelfde gezegd tegen mevrouw Wisgrof-Tuinders zo’n 25 jaar daarvoor. “Hij heeft gelijk”, kwam Thomas zijn leerling en naamgenoot te hulp: “Dat boek heb ik een jaar of wat geleden ook al zo voorbij zien komen. Toen stond dat er ook al in.” “En u keurt een dergelijk boek dan goed?” De verontwaardiging van zijn collega was grenzeloos. Thomas wilde geen discussie, zeker niet in het bijzijn van leerlingen maar zijn collega vroeg erom. “Ik heb dat boek goedgekeurd. Het is biologie nietwaar? Als het een aardrijkskundeboek was geweest had ik het afgekeurd, dat spreekt vanzelf. Ik vind wel dat je het van vak tot vak moet bekijken.” “Dit is werkelijk ongelooflijk….”, begon Verweij nog maar Thomas had zich inmiddels al omgedraaid en was met de volgende leerling bezig.

Ze waren al een stukje over de helft met deze klas toen Esmée Hermans binnen kwam. Zij was zonder Inez en mede daarom besloot Thomas haar onmiddellijk aan te spreken. Des te eerder was hij er vanaf. “Ha die Esmée, leg je boeken maar neer, heb je je cijfer al gezien?” Esmée knikte en Thomas ratelde: “Nou het was precies zoals ik al dacht, jouw proefwerk was onder een andere stapel op mijn bureau geschoven. Ik vond hem eigenlijk meteen toen ik thuiskwam gisteren en heb hem direct nagekeken en ingevoerd. Ik zag dat het voor je gemiddelde trouwens niet veel uitmaakt en trouwens nog gefeliciteerd met je overgang.” Esmée glimlachte en bedankte hem. “Ik heb trouwens ook jouw andere cijfers gezien. Ik neem aan dat je economie gaat herkansen?” Esmée knikte: “Of anders wiskunde-a, daar heb ik een beter cijfer voor, nou ja”, Esmée bloosde even: “Een 4.8 maar dat telt wel een stuk zwaarder voor mijn examendossier.” “Nu ja hoe dan ook geen geschiedenis en dat komt goed uit want…”, Thomas aarzelde even maar besloot nu alles goed ging ook meteen door te zetten: “Ik heb nog één klein dingetje. Ik kan je proefwerk nu niet in laten zien want ik ben het vergeten mee te nemen. Het ligt nog steeds op mijn bureau. Sorry ik had nogal haast vanmorgen. Maar nu je toch geen geschiedenis gaat herkansen, waar ik al van uitging maakt het niet veel uit. Ik ben morgen toch weer op school voor de vergaderingen en dan lever ik je werk dan in bij Cora op de administratie, Ok?” Esmée knikte: “Ja dat is goed, maar”, Esmée aarzelde even: “Wat nu als er een telfout inzit dat gebeurt wel eens of dat u een hele vraag bent vergeten te scoren zoals laatst bij Nancy…” Bij een eerdere toets dit jaar had Thomas bij één van haar klasgenoten een compleet antwoord over het hoofd gezien. Het stond op de achterkant, terwijl de voorkant nog meer dan genoeg ruimte overhield voor Nancy’s ultrakorte manier van antwoorden. Maar het had haar wel anderhalve punt opgeleverd. En daarom zijn proefwerkbesprekingen zo belangrijk en daarom moet je altijd kritisch terugkijken op je eerdere werk, daar word je beter van. Het waren zijn eigen woorden dus wat had hij Esmée hier te verwijten. “Ik heb je werk van voor naar achteren goed bekeken Esmée. En als je per se wil , haal ik de toets na de vakantie nog een keer voor je op bij Cora”, beloofde Thomas. “Het gaat alleen niet meer voor de zomer lukken, vrees ik. Heb jij trouwens nog meer boeken voor mij? Ik neem ook wiskunde en economie in.” Esmée overhandigde hem nog twee boeken die hij ongezien op de stapel achter zich neergooide en wenste zijn leerling een fijne vakantie. ”U ook, meneer Verburgh.”

Was hij nu veilig? Als een mug zoemde die vraag door zijn hoofd. De mug landde, gaf Thomas heel even lucht en steeg weer op. Was hij nu veilig? Was hij nu veilig? Was hij nu veilig? Ja natuurlijk was hij veilig. Na de zomer zou Esmée die inzage al lang vergeten zijn. Kom op hoe lang werkte hij nu al met pubers? En wat als ze er wel op zou terugkomen? Wat dan? Nou wat dan? Nou dan nog niets. Dan was haar werk onvindbaar op de administratie. Hij zou stug volhouden dat hij het gewoon had ingeleverd daar. Principieel onbewijsbaar ook al mat Cora van de admi zich een air van pauselijke onfeilbaarheid aan. Pijnlijk feit was dat Cora ook bijzonder weinig fouten maakte. Roosters, data, tijden, lokalen en toegestane hulpmiddelen, het klopte vrijwel altijd.

Onderwijl druppelde de allerlaatste leerling uit H4c binnen, Jerry Veenstra één van de andere lastpakken uit HAVO-vier. “Hé Verburgh.” “Hé Veenstra, kon jij geen afscheid van je boeken nemen?” “Ik kon geen afscheid van mijn bed nemen, meneer.” ”je kan er zo weer voor bijna zeven weken in, niet zeuren man. Heb je nog wat voor mijn stapeltje?” Jerry overhandigde zijn boeken die Thomas voor de show heel uitgebreid inspecteerde. Damn, onberispelijk, hij had ze waarschijnlijk een jaar lang mee noch open gehad. “Nou meneer Veenstra, die kunnen zo op bol.com als ongebruikt.” “Kun je nagaan hoe slim ik ben, meneer.” “Kun jij nagaan hoe goed jouw docenten wel niet zijn, prettige vakantie Jerry.” ”Ü ook meneer Verburgh.”

Daarna viel er een gat van één lesuur en een pauze en Thomas besloot in die tijd alvast een begin te maken met het opruimen van zijn eigen lokaal. Nee eigen lokalen hebben wij hier niet. Lokaal zestien, hij zei nooit één punt zes al stond dat wel op het bordje naast de deur, maar geen naam. Het was wel het lokaal waar hij dit schooljaar in ieder geval drie van zijn vier werkdagen het grootste gedeelte van zijn lessen had mogen geven. Niets zo rustgevend als een verstild lokaal vlak voor of na de zomervakantie. De dertig banken strak in drie rotten in het gelid, de handige klemstoeltjes vast aan de bovenrand. De enorme kaart van Europa voor de Eerste Wereldoorlog bewoog heel licht en totaal geruisloos op de zomerbries van buiten. De ramen stonden wijd open maar met de havisten al vertrokken en de VWO-ers nog in aantocht was het schoolplein leeg en drong er praktisch geen geluid door in het lokaal op de eerste verdieping.

Thomas zat in zijn gemakkelijke bureaustoel en opende de twee laden van zijn schoolbureau. Hier drong zich meteen een dilemma op; de hele bende boven de prullenbak leeg te kieperen of toch uitzoeken? En wat hoopte hij dan te vinden? Aanstekers die nog werkten? Aangebroken pakjes vloei en fisherman’s friend? Kapotte leesbrilletjes of rekenmachines? Pennen, potloden, scharen, lijm, geodriehoeken?, Man, hij kwam om in dat spul. Thomas moest denken aan een ex-collega van hem in de jaren dat hij in Amsterdam Zuidoost gedoceerd had. Een stugge roodharige West-Fries die wiskunde gaf en van wie beweerd werd dat hij drank bewaarde in een sporttas onder in de kast in zijn lokaal. Hij had het nooit met eigen ogen gezien, maar uiteraard kon het. Thomas floot onhoorbaar tussen zijn boventanden. Hoe heette die vent toch? Maar hij kon er niet opkomen. Die was in ieder geval een flink stuk van het padje af geweest. Thomas besloot tot leeg kieperen.

Op dat moment werd er op de deur geklopt. Het was Esmée Hermans en ze was niet alleen. Inez Berends vergezelde haar, en beide meisjes hadden een merkwaardige en gespannen uitdrukking op hun gezicht. “Hallo”, zei Thomas verbaasd: “Nog altijd geen vakantie aan het vieren?” Esmée sprak als eerste, zacht en aarzelend. “Nou…meneer Verburgh…u zei toch dat u mijn proefwerk gisteren heeft nagekeken en dat ik het na de zomer zou kunnen inzien? “ “Ja Esmée, maar dat hebben we net toch al bij het boeken inleveren besproken?’ “Maar dat kan helemaal niet.”, nu sprak Inez. Zij sprak luid en duidelijk. “Hoezo kan dat niet, ik verzin zoiets toch niet? En het lijkt mij trouwens ook jouw zaak niet, Inez.” Thomas kreeg een onaangenaam koud gevoel en dat bij buitentemperaturen van plus dertig. Hij moest van dit gesprek af en snel. “Ik begrijp eigenlijk niet waar jij je mee bemoeit.” “Omdat het niet kan”, herhaalde Inez. Ze had haar tas geopend en plaatste een vel papier duidelijk zichtbaar tussen hen drieën op het leraarsbureau. “Ik neem op uw aanraden altijd een exemplaar van de opgaven mee als oefenmateriaal voor het examen. En toen ik vanmorgen mijn tas leeg haalde viel dit eruit.“ Zij wees op het met blauwe vulpen beschreven proefwerkvel. Vier van de vijf rubrieken bovenaan waren keurig ingevuld. Naam: Esmée Hermans, Klas: H4c, Vak: Geschiedenis, Docent: Verburgh. Maar het hokje rechts daarvan met daarboven de aanduiding cijfer: was leeg. En ook de kantlijn, als extra bewijs, die lange witte strook papier waarop zijn strepen, zijn krullen, zijn deelscores hadden moeten staan, gelardeerd met een snelle opmerking in de trant van; let op: eerst Korea, dan Vietnam! of let op: Hitler was GEEN democraat!, die hij er altijd tijdens het corrigeren bijkrabbelde, niet dat ze gelezen werden maar omdat hij het niet laten kon, was leeg. Een witte strook papier en een lege vierkante centimeter rechtsboven.

Thomas Verburgh staarde en staarde naar dat witte hok alsof hij het cijfer, toch best een nette voldoende, er alsnog met zijn ogen in wilde branden. Maar het hokje bleef leeg totdat de vier lijntjes die het omgaven het begaven en het wit begon over te stromen. Het wiste het onopvallende handschrift en dito antwoorden van het vel en liep vervolgens over het bureau de klas in. Het verzwolg de twee tienermeiden voor hem, de kaart van Europa voor de Eerste Wereldoorlog veranderde in een poollandschap. En buiten door het raam een wit schoolplein, wit over de straten, de huizen aan de overkant de spoorlijn met de weilanden in de verte, wit, wit, wit tot aan de horizon. En daar zat Thomas, sneeuwblind in het holst van de zomer.