Requiem Voor Een Goudvis
I love it when a plan comes together… (kolonel John ‘Hannibal’ Smith, the A-team)
Het stationnetje waar de trein hem ten langen leste had afgezet was de naam station nauwelijks waardig. Twee verhoogde smalle stroken grijze stoeptegels, een blauw plaatsnaambord met daaronder in geel de gehele dienstregeling op nog geen kwart van de beschikbare ruimte. Treinen van en naar Friesland ieder uur op het uur en na zessen en op zondag beduidend minder. De tegemoetkomende trein, die uit Friesland stond inderdaad te wachten op het andere spoor. Thomas zag hem staan en begreep dat dit station als vast passeerpunt werd gebruikt want het stuk vanaf Groningen was alles enkel spoor geweest. De kleine dieseltreinen droegen de namen van coryfeeën uit de noordelijke provincies. Thomas was op Groningen CS -vergeet niet uit te checken wanneer U verder reist met een andere vervoerder- speciaal het perron naar voren toe afgelopen om te zien wie hem verder zou vervoeren. Het bleek de excentrieke damkampioen en cultheld uit de vorige eeuw te zijn, jong gestorven en enige van Thomas’ tienerjaren niet van de buis te slaan. Thomas glimlachte; een geestverwant -op een belend spoor stond de Rintje Ritsma gereed voor een rit naar Nergenshuizen-, hij besloot het als een gunstig voorteken voor de komende avond te beschouwen.
Nu huiverde Thomas even en zette de kraag van zijn spijkerjack op wat natuurlijk geen donder hielp. Een leven lang al had hij de hardnekkige gewoonte zich te luchtig voor de tijd van het jaar te kleden in de hoop dat god het warme weer daar dan wel bij zou leveren. God stelde nogal eens teleur. Hoewel wat is teleurstellen? Vrijdag 13 oktober het begin van de herfstvakantie was zonnig genoeg geweest. Maar nu 18:00 uur precies voelde het winderig en kil. In de verte daar waar de Waddenzee moest zijn kondigde de schemering zich al voorzichtig aan. Thomas slenterde achter de drie andere treinverlaters, een grijsaard en twee tienermeisjes beide blond, aan in de richting van het houten geval dat aan het eind van het perron over het spoor heen was gebouwd en dat een voetgangersbrug moest zijn waar hij hoe dan ook overheen zou moeten, want aan deze kant van het spoor begonnen direct de weilanden.
Hij beklom de steile houten trap van de spoorbrug -je staat gelijk hoog in dergelijk landschap- en voelde ineens een sterke behoefte nog even te dralen alvorens zijn afspraak tegemoet te gaan. Even overwoog Thomas een laatste snelle sigaret op te steken terwijl hij Jannes nakeek die aan zijn rechterhand steeds kleiner werd en uiteindelijk in het groen verdween. Achter hem de weilanden waar hij net uitgestapt was, voor hem het dorp. Thomas wierp er een eerste blik op. Het zag er welvarend uit, welvarend en stil. Van een sigaret zag hij af. Te winderig hier en bovendien wilde hij zijn mond graag schoon houden. Thomas daalde de trap aan de dorpszijde af, liep langs een stenen lokaaltje dat het leven waarschijnlijk ooit begonnen was als heuse stationshal met heel optimistisch twee loketten, maar dat nu dienst deed als snackpunt. Hapetaria heette het ding en het zat potdicht, alleen de kaartjesautomaat die heden ten dage de loketbeambten van weleer verving, gaf wat licht. Thomas liep langs de Hapetaria het parkeerterrein voor het station op waar hij had afgesproken.
De afspraak was een week of drie geleden tot stand gekomen via zijn schoolmail; t.verburgh@scalacollege.nl en de eerste zet was de hare; ‘Beste Thomas, naar ik hoop heb je een fijne zomer gehad en ben je het nieuwe schooljaar goed begonnen. Ik heb het heerlijk gehad in Frankrijk maar daar schrijf ik niet voor. In oktober opent de tentoonstelling ‘Avant Garde in Rusland 1875-1925’ in het Groninger Museum. Op zaterdag 14 oktober is er om 10:00 uur een sneak preview voor pers en genodigden. Mijn zus Marja had hiervoor via haar werk (Nieuwsblad van het Noorden) twee kaartjes maar is verhinderd. Zou jij mee willen? Laat me dat dan z.s.m. weten, Liefs Kitty.’
Liefs Kitty, geen enkele verwijzing naar hun eerdere ontmoeting, alleen een zo snel mogelijk antwoord om te geven. Thomas had er toch nog een volledige dag bedenktijd voor nodig maar het antwoord was als je er nu naar keek meesterlijk te noemen; ‘Lieve Kitty, dat lijkt me op zich heel erg leuk. Het zal wel een toer worden al om tien uur met de trein vanuit Den Haag in Groningen te zijn, maar ik ga even kijken wat haalbaar is. Liefs Thomas.’
Klaarblijkelijk had ook zij enige bedenktijd nodig gehad want haar antwoord kwam twee volle dagen later. Dat was de mail met de bingo; ‘Lieve Thomas, Ik weet niet hoe laat jouw lessen op vrijdag eindigen maar als je wilt zou je eventueel ook daarna naar het noorden kunnen treinen. Dan eten we samen en kun je bij mij overnachten. Patrick (mijn zoon) is voor de herfstvakantie bij Bernd (mijn ex). Wij hebben dus het rijk alleen. Liefs Kitty.’ Het was vooral die laatste zin die Thomas als muziek in de oren geklonken had. Talloze malen las hij die over alvorens zo kort als mogelijk te antwoorden; ‘Ik zal er zijn, Liefs Thomas.’
Het daarop volgende contact was niet meer geweest dan het formeel vastleggen van aankomstplaats en -tijd. Het laatste SMS-je dateerde van nog geen half uur geleden; ‘al op Gr. CS ben om zes uur precies bij je/ik haal je op voor het station/wat voor auto?/een blauwe, een Golf, hoezo?’ Die laatste wedervraag had Thomas onbeantwoord gelaten omdat hij de rest van de treinreis gepiekerd had over wat zij met dat ‘hoezo?’ bedoeld had. Dacht zij soms dat hij een auto-snob was? Dat hij haar materiële waarde aan de hand van haar auto wilde meten? Dacht zij dat hij het type man was dat zich ervoor schaamt in bepaalde typen auto’s gezien te worden? In een omgeving waar hij sowieso niemand kende? De waarheid was dat Kitty hem gerust achter op de snorfiets had mogen meenemen. Hij had alleen haar auto er op het parkeerterrein zo snel mogelijk uit willen pikken. Nu hij er stond begreep Thomas hoe overbodig zijn vraag Kitty in de oren geklonken moest hebben. Het parkeerterrein was nagenoeg leeg. Slechts in de uiterste rechterhoek stond één auto, linkerzij en achterkant vrijwel in de heg geparkeerd. Het was een duidelijk verlaten Opel , één van de mooiste modellen uit zijn tijd, maar in deplorabele toestand. De donkerblauwe lak dof en onder de roestplekken, de voorbumper hing half los en het nummerbord ontbrak. In de voorruit zat een grote barst en één van de zijraampjes was ingeslagen. Thomas pakte zijn telefoon om de auto te fotograferenen liep er vervolgens omheen om te zien of hij met een Diplomat, een Kapitän of een Admiral te doen had. Het bleek een Diplomat B te zijn -precies hetzelfde type dat zijn vader ooit eens op het erf had laten staan, zonder dat het ooit nog gereden had- maar het bordje met de motorinhoud ernaast ontbrak zodat niet te zien was of het om een zescilinder 2800 ging of een V8 5.4. Wel vond hij aan de achterkant een kentekenplaat die lastig te lezen was omdat de Opel aan die kant laag, lekke achterband en waarschijnlijk alle twee in de heg stond. 09-56-FT, witte reliëf belettering op donkerblauw, een origineel Nederlands kenteken en dus geen import. Dezelfde auto als mijn vaders en dan ook nog uit mijn geboortejaar, dacht Thomas. Het leek hem opnieuw een gunstig voorteken voor de avond die voor hem lag. Want dat is het voordeel van niet echt bijgelovig zijn. Je kunt dan de voortekenen altijd zelf in je eigen voordeel uitleggen zoals zij zich aandienen. Zelfs op vrijdag 13 oktober.
Thomas knielde nog eenmaal bij de auto om een foto te nemen, toch nog even talmen en een laag standpunt geeft het mooiste resultaat. Over zijn schouder zag hij buiten de heg aan de ingang van de parkeerplaats een auto tot stilstand komen. Achter het stuur zat een vrouw. De vrouw was niet heel jong meer, velen zouden haar goed geconserveerd noemen. Thomas vond haar ronduit mooi. Ze had halflang donker haar, het was zo goed als zwart met hier en daar al een enkele zilvergrijze sliert daartussen en zij droeg het in een staart. Een hint van groene fonkels in koele blauwe ogen, recht regelmatig wit gebit in een rood gestifte mond. Een gezond welvarend gezicht met een flinke scherpe neus, sexy! Zij was Nederlandse maar met een Mediterrane inslag en een dito figuur. Onder een dunne maar dure regenjas droeg zij een blauw jurkje, zwarte panty’s en halfhoge laarsjes met blokhakken en zij heette Kitty. Maar dat alles zag Thomas niet op die parkeerplaats, op die afstand. Het waren beelden die hij reconstrueerde uit die eerdere, die enige ontmoeting. Het enige wat hij op deze afstand echt kon waarnemen was dat de auto een Volkswagen Golf was van een ouder type. En dat hij blauw was.
Zij hadden elkaar leren kennen op een groot tweedaags onderwijs congres in Enschede eerder dat jaar. Dat was in april geweest dus nog voor de zomervakantie. Het was een prestigieuze bedoening geweest. Gastheer was de plaatselijke T.U., internationale sprekers, -Belgen?, Duitsers? Een Amerikaan?-, workshops, the works. Het was zo’n congres waar een massa geld in omgaat, waarvan je als eenvoudig docent nooit begrijpt waar dat allemaal vandaan komt -uitgeverijen? Europa? Bill Gates zelf? – maar die desondanks ook nog een flinke bijdrage van de deelnemers zelf verwachten. Thomas had het bedrag gezien ruim 200 euro en zestig daarop voor een overnachting voor de buitenlanders en Nederlanders van verre. Enschede ligt immers niet naast de deur. Vanzelfsprekend had Thomas er aanvankelijk geen zak voor gevoeld. Vreemd onderwijsvolk bij elkaar, spaar me. Spaar me het oeverloos geblaat dat nooit meer oplevert dan wat je ook op een half A-viertje had kwijt gekund alvorens het grote gekwek van de evaluatie uitbrak. Maar zijn teamleider Willeke had aangedrongen. “Ik ga dit echt niet aanvragen, Willeke, dat kun je vergeten.” Thomas wees op het eindbedrag in de mail: “Ruud ziet me aankomen. Als ik een stapel extra proefwerkpapier uit de kast op zijn kamer haal, kijkt hij me al aan alsof het uit eigen zak gaat. Merkwaardig fenomeen trouwens dat die kast überhaupt in zijn kamer staat, vind je ook niet?” Maar teamleider Willeke had niet gehapt en voet bij stuk gehouden. “Onzin Thomas, er is gewoon budget voor en dat weet Ruud net zo goed. Ik vind het belangrijk dat onze school daar zijn gezicht laat zijn. Ik was dolgraag zelf gegaan maar ik ben nodig bij de Straatsburg excursie voor de derde. Zeker na de incidenten van vorig jaar.”
De incidenten van vorig jaar, Thomas was er persoonlijk bij geweest en het stelde in zijn ogen geen moer voor. Een aangebroken fles witte wijn op een meisjeskamer die van niemand -en dus van Kim Grijpsma uit 3C- was, maar bewijs dat maar eens. En een jongenskamer alwaar vier Zwitserse meisjes elders uit het jeugdhotel heen waren geloodst en waar niet meer gebeurde dan chips en fris nuttigen, muziek luisteren en een onschuldig kaartspelletje spelen, maar tegen de regels van het hotel en dus zwaar verboden. Thomas, -hij herinnerde zich van zijn eigen 5-VWO werkweek naar Berlijn eind jaren 80 aanmerkelijk wildere taferelen, maar goed hij was toen ook al ruim twee jaar ouder dan deze 15-jarige Romeo’s- had de taak op zich genomen de troepen te scheiden en de heren tot de orde te roepen. “Krijgen we nu straf meneer Verburgh?” wilde Maarten de leider van het clubje weten. “Als u het voor het zeggen had, kregen we vast geen straf he?” vroeg Ruben. “Als ik het voor het zeggen had, kregen jullie hiervoor een medaille mannen, maar zoals jullie weten heb ik maar heel weinig voor het zeggen op deze school.” En daar had hij het bij gelaten om zich weer aan de bar van het hotel -alleen voor docenten- te vervoegen met de mededeling dat hij de heren ernstig had toegesproken betreffende de regels van het huis en dat zij hem uiteraard plechtig beloofd hadden dat zulks in de toekomst niet meer zou geschieden. De Zwitserse meisjes waren onmiddellijk na Thomas’ binnenkomst vertrokken en zaten dus al weer lang en breed in de eigen slaapkwartieren. Of misschien waren zij inmiddels al lang weer terug op de desbetreffende jongenskamer. Thomas hoopte stiekem op het laatste.
Maar goed, voor dit schooljaar was besloten dat teamleider Willeke Ravensberg persoonlijk met de werkweer 3 t-VWO mee zou gaan naar Straatsburg om daar de orde te garanderen en dat betekende onafwendbaar dat Thomas naar Enschede zou moeten.
“Daarbij ben jij assistent coördinator tweetalig onderbouw Tom, dat moet je ook bedenken.” Als Willeke iets van hem wilde sprak zij hem wel vaker aan met Tom. Ja ze zijn hier gul met mooie titels zolang het in taakuren uit kan en er geen schaal bij hoeft dacht Thomas maar hij zei het niet hardop, Willeke was uiteindelijk een lieverd en bovendien kondigde de bel einde pauze aan. “Ik vul die aanvraag wel voor je in Tom”, was het laatste wat Willeke zei en Thomas had op dat moment besloten zich over te geven. De volgende dag was Willeke nog bij hem gewest voor zijn handtekening onder de aanvraag: “Dat moet je echt even zelf doen Thomas”, en met een zwierige poot had hij het formulier onderschreven. Binnen een week was er uitsluitsel. “Jij gaat lekker twee dagen naar Enschede”, Willeke keek erbij alsof ze hem een maand Curaçao op kosten van de school aanbood. Ze spraken elkaar voor de wekelijkse teamvergadering en sjouwden samen tien bankjes en stoelen in carré in Thomas’ eigen lokaal voor de enorme landkaart van Europa voor de Eerste Wereldoorlog. “Ruud deed nog het meest moeilijk over die overnachting. Of je niet met Wilfred die met de auto zou gaan kon meereizen. Maar ik heb hem gezegd dat het voor Wilfred geen doen zou zijn jou eerst vanuit Haarlem in Den Haag op te pikken en dat nog wel twee dagen achter elkaar. Dus dat is ook in orde. Misschien kun je wel met hem heen- of terugrijden”.
Thomas hoopte het maar. Wilfred die natuurkunde gaf, wel een vakidioot en een onderwijs bevlogene was, was desalniettemin een van de weinige collega’s voor wie Thomas een oprechte genegenheid voelde. Twee dagen met Wilfred was zonder meer vol te houden, zeker toen zijn collega er geen probleem in zag hem ’s-morgens vroeg bij school af te halen hetgeen weer een heel stuk treinen scheelde. Over de weg terug zouden ze ter plekke beslissen. Maar ook in deze kabel kwam een kink. Door uitval van een andere docent wegens ziekte moest Wilfred ter elfde uur toch nog ook mee naar Straatsburg. En dat betekende dat Thomas die bewuste donderdag nog vroeger dan anders het geval zou zijn geweest was opgestaan om naar Den Haag CS te gaan. En feitelijk goed gehumeurd. Het weer was aangenaam en nog fijner dan met een aardige collega naar een onderwijsconferentie te moeten is het zonder collega naar een onderwijsconferentie te moeten.
En er speelde nog iets. Thomas was recent van zijn vriendin af of nauwkeuriger gezegd de vriendin van Thomas had er na acht jaar, waarvan zes samenwonend de brui aan gegeven. Hij was vrijwel onmiddellijk daarna verhuisd naar een zolderappartement, zijn man-cave in Den Haag, min of meer zijn kindertijd achterna. En al zijn familie, vrienden en collega’s feliciteerden hem vriendelijk en oprecht dat die verhuizing zo vlot had gekund, en zo centraal in Den Haag en voor die prijs! De waarheid was dat de muren van dat vrijgezellenhok avond na avond op hem af kwamen. Verandering van omgeving lijkt me meer dan welkom dacht Thomas terwijl hij zich in de 2e klas stiltecoupé installeerde -kaartje bewaren! Declaratieformulier!-en zijn boek alvast uit zijn tas opdiepte. Dan maar Enschede, dan maar onderwijscongres, desnoods op zijn heilige vrije donderdag -waar Ruud als vanzelfsprekend niets over had gezegd- en wie weet liepen er wel lekkere wijven rond, Yep Thomas! op een onderwijscongres?! want van optimisme leeft de mens uiteindelijk.
Kitty Engwirda, Emanuelda College, Groningen op de rechterborst was geen lekker wijf. Zij was in Thomas’ oog wel de aantrekkelijkste van de deelnemers aan de workshop ‘socratische gespreksvoering in de klas’ -welke na de lunch, die Thomas alleen genuttigd had maar dat was ok, want soep en een kroket, het kon werkelijk niet op, en het cateringpersoneel was bijzonder vriendelijk- op het programma stond en die het overgrote deel van de middag in beslag zou nemen. Er werden tien workshops aangeboden voor ieder maximaal twaalf deelnemers. Thomas had zijn aanvraag kruisjes zo goed als willekeurig gezet. En nu nam hij plaats in een groot en ongezellig wit klaslokaal waar de onvermijdelijke carré van ditmaal twaalf stoelen en bankjes al klaar stond. Koffie of thee in de lokalen niet toegestaan. Ze deden een voorstel- en een ‘waarom heb je voor deze workshop gekozen’ rondje. Thomas was als laatste aan de beurt: “Thomas Verburgh, geschiedenis, Scala College, Alphen, Ik heb deze workshop gekozen omdat ik… eigenlijk… niets beters wist.” Zijn blik kruiste die van cursusleider Jos. Thomas had geen vrienden gemaakt met deze opmerking, zoveel was duidelijk. Hij besloot als het even kon te zwijgen voor de rest van de middag en zijn blik dwaalde af naar de vrouw die pal rechts van Jos zat, schuin tegenover hem. De vrouw die Kitty heette, donker haar had en heldere blauwe ogen met ergen een hint van groen, en vooral hele mooie hoog opstaande jukbeenderen. Jukbeenderen maken de vrouw en dit was zonder meer een fraai exemplaar zij het niet Thomas’ type. Dit was het soort vrouw dat getrouwd was met een nog veel beter verdienende man, met twee zonen op het gymnasium en met een nog altijd gemeen harde back-hand, het resultaat van jaren competitie-tennis. Een vrouw die naar openingen van tentoonstellingen gaat, van klassieke muziek houdt of haar docentschap combineerde met een gemeenteraadslidmaatschap voor D66. Uiteraard gaf zij Frans.
Een merkwaardig fenomeen toch, dacht Thomas; vrouwen die Engels doceerden waren vrijwel altijd aantrekkelijk, docentes Duits vrijwel nooit. Zij die Frans gaven, zagen er over het algemeen goed en goed verzorgd uit maar waren over het algemeen niet zijn type, Of waren zij misschien niet in zijn league? Docenten Nederlands waren helemaal vreemd; of hele toffe wijven of totale draken, een tussenweg leek er niet te zijn. Maar deze Kitty Engwirda was zonder meer de knapste vrouw in het lokaal. Haar naaste collega bijvoorbeeld links van haar was echt huilen met de pet op. Een onopgemaakt bleek en pafferig gezicht achter een onflatteuze bril. Slecht zittende spijkerbroek, dikke reet, en een slobbertrui met daarin enorme en ongetwijfeld spierwitte blauw gemarmerde tieten. Ze heette Astrid Venema en gaf aardrijkskunde. Dat laatste kon Thomas overigens niet aan die tieten afzien maar ze vertelde het iedere keer opnieuw wanneer zij het woord nam : “Nou ik geef dus aardrijkskunde en in mijn vak is het zo dat…” Ze was niet alleen lelijk, ze was ook onsympathiek.
De enige in het lokaaltje die Astrid verre overtrof qua onsympathikiteit was wat Thomas betrof cursusleider Jos. Het onderwijs wemelt van de figuren die bijzonder graag hun eigen stem horen maar de mate waarin deze Jos, mid-vijftig, kort grijs haar, schreeuwoverhemd, het met zichzelf getroffen had, was ronduit stuitend. Zo’n veelvuldige India-ganger. Jos begon de workshop met een ellenlange, slecht voorbereide en warrige monoloog, die -want warrig- voortdurend onderbroken werd door vragen -vooral vragen, mensen, vooral vragen- waarbij met name de geokoe zich niet onbetuigd liet. “Nou, ik geef dus aardrijkskunde en in mijn vak is het zo dat…” Jos beantwoordde vrijwel iedere vraag met een hoogst irritant badinerend glimlachje en de mededeling dat wij workshop-deelnemers ons wel moesten beseffen dat het in het korte tijdsbestek van één middag – je hebt drie en half uur lul en het is trouwens zich realiseren niet beseffen- onmogelijk zou zijn echt diep op de materie in te gaan, vooral wanneer je die niet alleen vanuit de westerse filosofie maar ook, en hij sprak hier uit eigen ervaring -verdomd als het niet waar was- de oosterse kant van het geheel wilde beschouwen wat natuurlijk wel essentieel was voor een volledig begrip van wat Socrates allemaal zou hebben beoogd met zijn gesprekstechniek. Na een minuut of twintig was Thomas het ineens spuugzat. “Ik heb nog een vraag”, het was het eerste dat hij zei na het voorstellen en hij stond er al bij op: “Als jij op iedere vraag hier antwoordt dat één middag veel te kort is om deze ongelooflijk ingewikkelde materie te doorgronden, wat doe jij hier dan?” Meteen daarna had Thomas het lokaal verlaten voordat Jos hem kon antwoorden dat hij dat wel kon uitleggen maar gezien het korte tijdsbestek…
En toen stond Thomas buiten op de campus van de TU Enschede en trok nijdig aan zijn sigaret. Enerzijds gefrustreerd over zijn eigen impulsiviteit, anderzijds ook met een licht triomfantelijk spijbel gevoel. Vraag was wel wat aan te vangen met de komende drie uur? De workshop zou tot half vijf duren en daarna zou er nog één plenaire bijeenkomst zijn voor het avondmaal. Gelukkig was het droog en zonnig. Thomas besloot eerst maar eens een stukje over de campus te gaan lopen. Misschien kon hij het gebouw vinden waar hij zou overnachten.
De slaapvertrekken behoorden bij een sportcomplex helemaal noord op de campus, had Thomas begrepen. Na een kwartier wandelen zag hij het grote gloednieuwe gebouw opdoemen aan de linkerkant van de weg. Tot zijn verbazing was de deur open en de receptie bemand. Thomas vroeg of hij alvast de sleutel van zijn kamer kon krijgen en dat was geen probleem -Er kwamen wel meer congresgangers die alvast hun koffer kwijt wilde. Het viel kennelijk niet op dat Thomas helemaal geen koffer bij zich had – mits hij zijn reservering kon overleggen. Dezelfde Twentse vriendelijkheid als bij het kantine-personeel. Ze heette Andrea las hij van haar uniform en zij gaf hem behalve een sleutelkaart ook nog een plattegrond van het complex en een foldertje mee. “U heeft kamer 201, een van de grotere kamers, bent U met twee collega’s?” Thomas antwoordde dat hij door omstandigheden alleen was. “Wat merkwaardig dat ze U dan de grote kamer gegeven hebben, maar goed dat is mijn zaak niet. U vindt de lift hier recht door. ”Andrea wees op een horeca-ruimte die zowel als ontbijtzaal als als café, er was een kleine bar, dienst kon doen maar die op dit uur van de dag volkomen verlaten was. “Mag ik U een prettig verblijf wensen?’
Even later stapte Thomas uit de lift en meteen daarnaast zijn kamer in. Die zag er precies zo uit als de tweepersoonskamers op de foto van de brochure, zij het dat deze kamer een L-vorm had omdat er achter de liftkoker een nis ontstaan was waar een derde bed was neergezet. Thomas koos dat bed onmiddellijk uit tot het zijne voor de komende nacht, en testte de vering en het kussen, gelukkig niet al te dun. Daarna pakte hij zijn toilettas uit zijn Eastpack en zette deze in een kleine maar brandschone doucheruimte neer op de wastafel naast het toilet. Zo was het al een beetje zijn kamer.
De kamers, 24 in totaal waren in twee verdiepingen en in een rechte hoek op het dak van een groot sportcomplex gebouwd en hoorden daar in feite bij, las Thomas in de folder die Andrea van de receptie hem meegegeven had. Het gebouw was net een jaar in gebruik en gebouwd in samenwerking tussen de universiteit en een aantal grote sportbonden; tennis, atletiek, zwemmen en judo -was de rector magnificus hier niet in de ban van die sport, of was dat de vorige?- en de kamers werden voornamelijk gebruikt door sporters die hier voor trainingsstages kwamen. Maar ook voor congressen als deze kon het complex dus gehuurd worden. Thomas vond het er meer dan prima uitzien. Een ruime kamer, alles schoon en nieuw en in smaakvol donkergroen en paars gestoffeerd. Een douche en wc voor zichzelf. Als jongeman was Thomas zijn hotelgast carrière begonnen in landen als Hongarije, Tsjechoslowakije, Roemenië en Joegoslavië kort voor de val van het communisme. En als je dat dertig jaar later nog altijd als de standaard voor hotelkamers in je hoofd hebt, dan vind je iets al gauw chique. Thomas wist dit van zichzelf maar vond het eigenlijk geen onplezierige karaktertrek. Hij kende diezelfde Oostblok tevredenheid wanneer hij auto reed wat maar heel zelden voorkwam. Na een zeer moeizaam behaald rijbewijs was de eerste en eigenlijk enige auto waarin hij regelmatig geoefend had de tien jaar oude Lada van zijn moeder geweest. Die sovjet-tank met het grote roestgat rechtsachter pal naast de benzinetank en de dof beige lak. Het kreng dat nooit starten wilde maar dat er wel voor gezorgd had dat Thomas sindsdien elke willekeurige andere auto als het summum van comfort en rijgenot ervoer, als hij al eens reed.
Wat ontbrak op de kamer was een televisie (Thomas keek nooit) en een minibar (Thomas dronk niet). Wel was er een klein bureau met twee stoelen, een waterkoker en een paar zakjes nestlé oploskoffie, creamer, suiker en zoetstof. Thomas besloot zichzelf op een oploskoffie te trakteren en aan het bureau alvast wat aantekeningen te maken voor het verslag dat Willeke ongetwijfeld spoedig na terugkeer op schol verwachtte. Je mag niet zomaar twee dagen naar Enschede. Over de workshops kon hij kort zijn: In de middag werden de congresgangers verdeeld over een tiental workshops waarbij…..kies willekeurige workshop uit lijstje…het meest in de smaak bleek te vallen, punt. Daarna was er nog ruim een uur stuk te slaan dus maakte Thomas nog een flinke wandeling over het campusterrein en vervoegde zich vervolgens weer achteraan de anderen in de grote zaal voor het afsluitende deel van de eerste congres dag en daarna naar de mensa om te eten.
Opnieuw at hij alleen; frites , een salade en een stuk vlees van onduidelijke herkomst en Van der Valk kwaliteit. Maar sinds een paar maanden beschouwde Thomas iedere maaltijd die hij niet zelf eerst had hoeven minstens opwarmen als een koningsmaal en hij schepte zichzelf zelfs een tweede maal op. Alleen toen was er nog wel een hele avond door te komen. De campus van de TU Enschede ligt een paar kilometer ten westen van het centrum van die stad en bussen reden er na zessen nog maar sporadisch. Even overwoog Thomas te gaan lopen, het beloofde een mooie lenteavond te worden, maar dan? Een café in? Donderdagavond half acht en daar tussen de locals dan sinas drinken? O.K. hij kon natuurlijk zijn boek meenemen maar lezen kon hij net zo goed boven op zijn kamer, beter zelfs op zijn bed. Bovendien had hij zin in een douche.
Het was over half tien toen Thomas kamer 201 weer verliet om buiten nog een sigaret te gaan roken. Tegen zijn verwachting in bleek het barretje op de begane grond geopend en stond dezelfde Andrea er achter. Er was zelfs wat krijtvolk aanwezig, niet veel een man of twaalf. Zij zaten in tweetallen of kleine groepjes aan de bar en de paar tafeltjes. Thomas besloot zijn plannen te wijzigen. Hij bestelde bij Andrea een sinas en nam die mee naar een zijruimte waar een frisdrank- en snoepautomaat stond en waar het licht ongezelliger en dus geschikter was om te lezen. Verder stonden er twee clubfauteuils ook paars en groen, de binnenhuisarchitect had zich duidelijk door Wimbledon laten inspireren, met een klein tafeltje ertussen. Thomas nam zich voor hier nog een half uur of zo te lezen, want soms heb je wel de behoefte aan menselijk stemgeluid op de achtergrond zonder je direct in de gesprekken te hoeven mengen.
Thomas wilde net een rookpauze nemen toen er een vrouw de zijruimte binnen liep. Het was Kitty en zij had in de ene hand een glas witte wijn -wijn en bier op fles waren verkrijgbaar, een tap was er niet- en in de andere een boek. En zij sprak hem aan. “Zo ben jij niet die wegloper van vanmiddag?” Thomas zweeg, keek haar aan, wilde de bedoeling van de vraag uit haar ogen lezen maar kreeg geen eensluidend antwoord. Haar ogen leken het niet kwaad te menen, ze stonden geamuseerd, fonkelden zelfs. Kitty plofte in de fauteuil naast Thomas neer, zette het glas wijn tussen hen in en boog zich licht voorover. “Je had wat mij betreft groot gelijk hoor vanmiddag, wat een wanvertoning, wat een blaaskaak.” Nu lachte zij voluit, er kwamen kleine kuiltjes in haar wangen. “Maar ik zal je niet storen in je boek, wat lees je?” Tom zei nog steeds niets, hield slechts het boek omhoog; T.C. Boyle Talk Talk, hij had het eerder gelezen maar wist dat in een vreemde omgeving hem vaak de concentratie ontbrak iets nieuws te lezen en daarbij wat was het nut van een huis vol boeken wanneer je nooit een exemplaar herlas?”
“Ik herlees het, en jij?” Nu zweeg Kitty en spiegelde zijn gebaar van zo even. Het bleek een biografie van Kazimir Malevitsj te zijn in het Frans. “Goed?” ” Tot zover ik ben wel maar ik lees het voor het eerst. Dat wil zeggen, ik zou best willen lezen maar krijg daar met mijn collega niet echt de kans voor. Op basis van de eerste hoofdstukken kan ik je het aanraden.” “Ik vrees dat mijn middelbare school Frans daar niet meer toereikend voor gaat zijn”, antwoordde Tom: “Ik houd wel van zijn schilderijen.” En zo kwam het dat hun allereerste gesprek deels over Russische schilders ging en deels over het voordeel van zonder collega’s onderwijsconferenties te bezoeken. Een kort gesprek overigens want een minuut of tien later had Kitty haar glas leeg en net toen Thomas haar een nieuwe wilde aanbieden, de bar zou tot elf uur open zijn, stond ze op. “Sorry ik moet terug. Ik kan het niet maken mijn collegaatje nog langer alleen te laten zitten ook al is het dan een trut van Troje.”. Zij boog zich nog een keer naar hem toe, met die fonkelende ooglach: “Ze sprak trouwens ook al schande over jou. Slaap lekker wegloper misschien zie ik je morgen.”
Maar hun weerzien was een stuk eerder geweest. Het was slechts een half uur later. Thomas stond op de tweede verdieping van het verblijf op de gang al geruime tijd met zijn sleutelkaart te hannesen -wat dat betreft had je net zo goed kunnen blijven zuipen- toen de liftdeuren links van hem open gingen en Kitty uit de lift stapte. Ze leek enigszins verdwaald maar haar ogen fonkelden nog een ietsje feller. Zou het de wijn zijn? “Hé daar hebben we de wegloper alweer. Ik zoek mijn kamer.” ”Dan ben je volgens mij sowieso op de verkeerde verdieping. Volgens mij liggen alle heren op de tweede en de dames op één.”, antwoordde Thomas en toen vloog zijn kamerdeur ineens wel open en struikelde Thomas half naar binnen. En toen stond Kitty ineens naast hem. En toen waren ze ineens samen in zijn kamer waar Kitty hem omhelsde en ze als gekken stonden te tongzoenen, nog voordat Kitty de deur achter hen sloot en hem één van de twee onopgemaakte bedden optrok. “Zo nu kun je niet meer weglopen”, lachte Kitty en zij zoenden opnieuw en daarna begon het gedoe van het ontkleden. Zij droeg een kokerrok -die doe ik zelf uit dat lukt jou niet- en een zijden blouse en daaronder dure lingerie. Dat wil zeggen bh en slip pasten bij elkaar en waren beiden bordeaux rood met een wit bloemmotief in reliëf. Het voelde fijn onder zijn handen maar maar voor heel even want daarna waren beiden naakt. Thomas kuste Kitty ’s borsten die klein waren met lange bruine tepels en gleed vervolgens met zijn mond naar beneden in de richting van haar kruis. “Ik ben niet geschoren daar, vind je dat erg”. Nee dat vond hij niet erg en hij zoende en likte haar daar tot zij bevredigd was en hem in haar armen weer naar boven trok. Zij kusten opnieuw terwijl hun geslachtsdelen dichter en dichter bij elkaar in de buurt kwamen. “Wil je bij me naar binnen? Het mag wel.” En Thomas was meer dan stijf genoeg geweest en had haar genomen. En het was allemaal zo voorbij. Na zijn ontlading had zij verzucht dat ze daar echt wel even aan toe was geweest en vrijwel meteen daarna had zij zich aangekleed, want ze had haast. Stel dat haar collega alias de trut van Troje ongerust zou worden, haar zou zoeken wat dan? “Dan heeft ze tenminste iets om schande over te spreken”, had Thomas gezegd en Kitty had hem een laatste kus op de lippen gedrukt en gezegd dat ze het lekker had gevonden. En weg was ze. Alleen de vage geur van haar parfum liet zij achter in kamer 201.
Thomas opende de passagiersdeur van de blauwe Volkswagen en schoof naast Kitty. Hetzelfde parfum van vijf maanden terug. Kitty gaf hem ter begroeting een zoen op zijn wang en trok meteen daarna op. Thomas kreeg niet eens de gelegenheid zijn veiligheidsgordel goed vast te maken. Pas toen zijn hoofd weer boven het dashboard uitkwam, zag hij dat zij door een dure laan reden met grote boerderijachtige vrijstaande huizen. Thomas vroeg wie die had laten bouwen en Kitty legde uit dat die zo’n eeuw geleden gebouwd waren voor de rijke herenboeren uit de streek om er hun oude dag te slijten nadat het bedrijf met bijbehorende boerderij in handen van de oudste zoon was overgegaan. “Nu wonen er nieuwe rijken, een directeur van de NAM, professoren van de Groninger Universiteit. Zeg maar alles wat ze niet in Haren kwijt kunnen. Ik woonde hier trouwens vlak achter voor mijn scheiding.” Van de herkomst van de oude Opel op het parkeerterrein bij het station wist ze niets: “Dat ding staat daar al jaren.” Ze reden inmiddels door wat het centrum van het dorp moest zijn. Eén winkelstraat met Blokker, Hema en Primera, wel verlicht want koopavond, en een snackbar met zo te zien enige klandizie. Het Chinese restaurant aan de overkant van het kruispunt heette heel geruststellend De Lange Muur. Een stoplicht stond op rood om een klein groepje koop- of snacklustige dorpelingen de gelegenheid te geven veilig het zebrapad over te steken. Kitty schraapte haar keel.
”Ik moet je iets vervelends vertellen Tom. Het is Bernd mijn … ex. Omdat het herfstvakantie is zou hij Patrick een paar dagen meenemen naar Duitsland, hij woont daar weer, en hem vanmiddag na school komen afhalen maar hij heeft vanwege werk afgezegd, die onbetrouwbare … man”. Thomas probeerde Kitty’s gezicht in de achteruitkijkspiegel te vangen. Ze had hond willen zeggen of klootzak, maar wist zich te beheersen. “Ik heb hem bezworen er morgen voor het ontbijt te zijn maar ik ben dus wel van hem afhankelijk. Als het toch later wordt zou het kunnen dat je alleen naar het Groninger Museum moet of dat ik later kom. Ik hoop niet dat je dat heel erg vindt.” De eerlijkheid gebood Thomas te zeggen dat het hele Groninger Museum met al zijn Malevitsjen, Goncharova’s en zelfs zijn geliefde El Lissitzky’s wat hem betrof vannacht gerust mocht affikken als hij in ruil daarvoor opnieuw in haar armen mocht liggen, in haar bed, tussen haar lakens, tussen haar benen, maar het leek hem geen opportuun antwoord. En de waarheid was natuurlijk wel dat dit een serieus probleem was. De aanstaande aanwezigheid van een vijfjarige betekende een enorme steen door de ruit van het droompaleis dat Thomas zich inmiddels gevormd had van hun rijk alleen uit haar tweede mail van september. Natuurlijk moest zo’n ventje slapen en niet al te laat ook maar dan nog. Sliep het door? Zou Kitty erop durven vertrouwen dat het niet wakker werd? En dan waren er vrouwen met principes van niet onder hetzelfde dak met mijn kind. Hoe diep het ook sliep. En dan nog een ex vroeg in de morgen aan de deur. Maar dat was van later zorg, dan kon de daad immers al lang en breed gedaan zijn. Nee dat kind dat was een veel groter en acuter probleem.
En dus floot Thomas even haast onhoorbaar tussen zijn tanden en overwoog zijn opties om tot de conclusie te komen dat die er eigenlijk niet in meervoud waren. Hij kon moeilijk vier uur terug treinen naar den Haag vanwege dat kind. Ze reden alweer toen Thomas sprak: “We zullen het moeten afwachten. ” En dat was natuurlijk ook de waarheid.
Kitty parkeerde de auto in een smal straatje met een zestal kleine vrijstaande bungalow-achtige huisjes en met een nietszeggende naam die niet op -straat uitging maar op -pad. Thomas wierp van af de overkant van de straat een blik door het raam van de kleine woonkamer. Een boekenkast, een salontafel, een tweezits bankje. Boven dat bankje hing een enorme klok. Een rond stations-exemplaar met een roodbruin glimmende mahoniehouten rand en enorme zwarte romeinse cijfers op een witte wijzerplaat. Het ding was zo groot dat Thomas vanaf de straat kon zien dat de vier keurig was weergegeven met het symbool IIII en niet de officiële IV zoals bijna alle openbare en kerkklokken. Dat heeft te maken met duidelijkheid en is een feit dat niet veel mensen weten, maar als je het eenmaal weet valt het op bij iedere nieuwe klok die je ziet. Hij schatte de diameter van de klok op ruim anderhalve meter. “Wat een prachtige klok”, zei Thomas en Kitty vertelde hem dat het één van de weinige dingen was die ze had meegenomen uit haar vorige huis. “De meubelen waren stomweg te groot voor hier, de klok is natuurlijk ook buitenproportioneel. In ons vorig huis hing hij perfect, zo perfect dat de kopers nog voorzichtig hadden geïnformeerd of zij die klok er niet bij konden kopen. Maar ik ben aan dat ding gehecht en ik blijf hier sowieso maar tijdelijk. Ik overweeg om terug te verhuizen naar de stad maar vind daar maar eens iets dat kindvriendelijk en betaalbaar is op één salaris.”
Eenmaal binnen liepen zij gelijk door naar de keuken. Thomas had nog niet eens plaats kunnen nemen aan de keukentafel of de achterdeur ging open. Een buurvrouw begroette hen beiden met niet meer dan ‘moi’ en verdween ogenblikkelijk weer. In de deuropening liet ze een mannetje achter. Hij was opvallend veel blonder dan zijn moeder, met krullen en lichte blauwe ogen. Thomas keek zijn amoureuze rivaal voor de avond recht in de ogen. In zijn blauwe houtje-touwtje jas en groene regenlaarzen deed hij Thomas aan Beertje Paddington denken. Hij stelde zich keurig voor; “Ik ben Patrick, spreek uit Pa-Triek niet Pet-Rik.”
Thomas gaf hem een officiële hand: “Ik ben Thomas maar mijn vrienden noemen mij Tom. Ik ben hier om morgen met jouw moeder in het museum naar schilderijen te gaan kijken.” “Schilderijen, saai hoor”, meende Patrick: “Ik houd van dino’s, Hou jij van dino’s?” “Nou en of “, zei Thomas: “Ik heb zelfs een favoriet, de maiasaura. Ze zeggen dat dat de enige dinosauriër is, die voor haar kinderen zorgt.“ Thomas was dankbaar voor deze kennis opgedaan bij zijn enige oomzeggertje David, zoon van zijn oudere zus Merel. Dat was inmiddels een puisterige puber die de godganse dag gamede of naar kutmuziek luisterde, maar die ook door de traditioneel mannelijk dino-periode was gegaan als klein jongetje. En Thomas mocht er veilig van uitgaan dat dit soort basiskennis omtrent dinosaurussen nog niet echt verouderd was na een jaar of acht. Het had in ieder geval het ijs met Patrick gebroken al was die zelf meer een tyrannosaurus rex man, en of die zijn dino’s wilde zien? “Na het eten”, besloot Kitty: “Ga ze maar vast in de woonkamer neerzetten, hier in de keuken is geen plaats als ik zo de tafel ga dekken. “ En tegen Thomas: “Ik had gelukkig al het één en ander voorbereid. Pasta moet nog wel koken, maar…”en dat tegen hen beiden: “Over een kwartier kunnen we eten.“
En in dat kwartier, Kitty achter het fornuis , hij aan de keukentafel –“Nee je hoeft niet mee te helpen, en je eet toch wel vlees?”- kreeg hij eindelijk wat basale biografische gegevens van haar los. Ze woonde hier net nadat zij acht maanden geleden officieel gescheiden was van Bernd, een Duitser die in Zwitserland was opgegroeid. Een chemicus die in het bedrijfsleven werkte en alles van drukinkt wist. Zij had hem leren kennen kort na haar studie toen zij op de Franse afdeling van een uitgeverij in wetenschappelijke tijdschriften had gewerkt. “Want geloof me Tom er zijn niet alleen tijdschriften gedrukt van drukinkt er zijn er ook die er geheel aan gewijd zijn.” Na haar huwelijk had ze in Bazel -prachtige stad, vreselijke mensen- en in Frankfurt -saaie stad maar erg aardige mensen- gewoond, totdat Bernd een baan in Groningen had gekregen en ze het huis verderop in het dorp gekocht hadden. “het was voor mij thuis, ik ben twee dorpen verderop opgeroeid. Mijn vader was daar huisarts, een eigenzinnig mens, volslagen francofiel. Ik heb het van hem.” En Kitty vertelde verder; dat haar vader het hele gezin eind jaren zeventig naar Frankrijk had versleept waar hij een boerderijtje, nou zeg gerust bouwval had gekocht ergens in het absolute niets van zuid oost Frankrijk.
“Dat was in 1978. We hebben het er vier jaar volgehouden. Mijn oudere zus Marja heeft het daar van de eerste tot de laatste dag vervloekt. Die krijg je met geen stok deze provincie meer uit. Ik vond het er heerlijk, was voorgoed aan het land verkocht. Maar wat wil je? Ik was een kind van acht, zij al bijna een puber.” En toen pas drong het tot Thomas door dat Kitty twee jaar later geboren was dan hijzelf. Vreemd hij had steeds aangenomen dat zij net iets ouder was dan hij. Maar zo zie je maar weer, een zekere senioriteit in het leven en een geboortedatum zijn twee verschillende dingen. Na terugkeer in Nederland volgde het Stedelijk Gymnasium en daarna Frans in Utrecht. “Ik was achttien en ik wilde wat verder weg zijn bij mijn ouders.” De studie was na vier jaar uitsluitend Frans in haar omgeving een makkie geweest. En vlak daarna was er dus al Bernd. Het huwelijk was van meet af aan geen groot succes geweest maar Kitty hield in het midden waarom dat zo was. Thomas was er ook niet echt in geïnteresseerd. “Ik werd pas zwanger toen het huwelijk al lang niet meer te redden viel. Ik was al 42, we hebben het voor Patrick nog een paar jaar samen geprobeerd, nou tot februari dus. Ik ga Patrick trouwens roepen. We kunnen eten.”
Het avondmaal bestond uit pasta met een witte saus met spinaziebladeren en de spekjes er gewoon doorheen, want Thomas at gewoon vlees. Patrick viel op door gedwee gedrag en meer dan voorbeeldige tafelmanieren. Als die straks ook zo naar bed gaat wordt het een makkie, dacht Thomas terwijl hij zich nog een keer opschepte. Trek maakt hongerig. Na het eten schonk Kitty zichzelf een extra glas wijn in -het is tenslotte herfstvakantie- en het deed haar duidelijk ontspannen. Thomas, hij at samen met Patrick een raketje, zag de sterren weer in haar ogen fonkelen. Het leek hem opnieuw een gunstig voorteken.
Na het toetje mocht Patrick nog even met zijn dino’s spelen maar niet te lang: “We hebben ook al later gegeten dan normaal.” Thomas kreeg een kop koffie aan de keukentafel en Kitty deed de afwas met de hand: “Wel even wennen na jaren een vaatwasser en nee Thomas hoefde nog steeds niet te helpen.” Zij stond met haar rug naar hem toe en hij zag haar billen onder de stof van haar jurk meedraaien op het ritme van de afwasborstel. Thomas begon serieus trek te krijgen, maar het aftellen was nog niet begonnen, enig geduld was nog geboden. Om stipt haf acht riep Kitty haar zoon. Tegen Thomas zei zij op fluistertoon: “Geef me een half uur dan slaapt hij. Ga jij vast naar de woonkamer als je wilt, die is behaaglijker en ik doe de gordijnen daar zo vast dicht. Wil je nog koffie? Hij is gelukkig een goede slaper dus nog even en dan hebben wij het rijk weer alleen.”
Thomas installeerde zich op het tweezits bankje dat nieuw en Ikea was maar niet echt lekker zat. Het zou toch goddomme geen slaapbankje zijn wat hij onder zijn kont voelde want dat kon natuurlijk ook nog. Maar de blik in haar ogen en haar woorden van daarnet stelden hem gerust. “Het rijk alleen, het rijk alleen, het rijk alleen, het is aanstaande”. Thomas prevelde het als een mantra voor zich uit en boog zich voorover om zijn kopje koffie van de salontafel te nemen. Toen het gebeurde.
Het gekke is dat het in eerste instantie niet het geluid was al kwam dat er wel onmiddellijk achter aan en hoe! Er ging echter iets aan vooraf, een paar seconden maar, maar toch. Een plotselinge verstilling? In een toch al doodstille kamer? Een subtiele verandering van luchtdruk of van atmosfeer of was dat hetzelfde? En een soort van trilling heel subtiel door de bank, door de muur, door de klok die nu opeens iets voorover leek te hellen waar hij een seconde geleden nog loodrecht aan de muur zat, door zijn ruggengraat. En toen barstte het los; een oorverdovend gekrijs. Een eskader Stuka’s in volle duikvlucht en dat boven bijpassend afgaand luchtalarm. Was hier geen vliegbasis? Jezus een aardbeving dat zal ik hebben, dacht Thomas maar dat gebied lag oostelijker. Horen, zien en denken vergingen Thomas en het duurde nog verscheidene seconden voordat hij weer bij zijn positieven kwam en de vreselijke waarheid tot hem doordrong. Boven zijn hoofd lag een klein kind hartverscheurend te huilen.
Natuurlijk begreep Thomas als man onmiddellijk wat er in deze situatie het best van hem verwacht kon worden; een houding van welwillende maar strikte neutrale afzijdigheid. Niet mee bemoeien, uitzingen, afwachten. Maar Thomas was geen normale man. Hoe vaak had zijn moeder hem niet als kleine jongen geconfronteerd met de brokstukken van zijn impulsief handelen en de eeuwige vraag wat hem in godsnaam nu weer bezield had DIT te doen. Kortom hij deed dingen zonder goed te weten waarom hij ze deed terwijl hij toch heel goed wist dat hij ze deed. En nu stond Thomas op van de bank en ging door het donkere halletje de smalle trap naar de eerste verdieping op. De overloop was zo goed als verduisterd. Met moeite onderscheidde Thomas drie witte deuren. Het was dat er één op een kier stond en zo een smal streepje licht op de overloop bracht. Daar moest het zijn, al hoefde je daarvoor niet op het licht af te gaan. Thomas zette een stap naar voren en daar moet de moeder radar van Kitty al afgegaan zijn want het volgende moment hoorde hij haar stem vanachter die deur. “Thomas? Ben jij dat?” Ze klonk ineens weer exact als een docente Frans.
Thomas deed deur iets verder open en keek verlegen de kinderkamer in. Patrick lag al in zijn pyjama op zijn dino dekbed. Zijn hoofdkussen was nat van de tranen, zijn hoofd vuurrood en zijn kleine lichaampje schokte. Kitty zat aan zijn voeteneind en streelde zijn kleine rug. Toen keek ze op naar Thomas. “Het is de goudvis”, zei ze toonloos terwijl zij met haar hoofd in de richting van een kinderbureautje knikte, waarop de kleine bureaulamp stond waar al het licht op de overloop vandaan gekomen was. Er stond een ronde vissenkom naast: “Hij is dood.” “En nu, en nu-hu wil mama hem door de plee spoelen!” Patricks lijfje schokte van zoveel redeloos onrecht: “Door de PLEE!!!”, en hij begon opnieuw hartstochtelijk te snikken maar zijn stem had ook iets boosaardigs, iets triomfantelijks gehad. Het jongetje dat heel goed weet dat je toilet zegt zeker in het bijzijn van vreemden maar dat zich van iedere verplichting tot beleefdheid ontslagen achtte nu zijn eigen moeder een dergelijk ontaard monster bleek te zijn. “DOOR DE PLEE!!!”, krijste Patrick en hij hapte naar adem.
Thomas liep op het bureautje toe, het was opmerkelijk netjes opgeruimd voor een kind. Op de waterspiegel van de ronde kom dreef het bleek oranje vissenlijkje . Nog geen zes centimeter lang was de bron van dit onnoemelijke kinderverdriet. Naast de kom stond een ingelijste foto van een man van ongeveer zijn leeftijd met blonde krullen, fletsblauwe ogen en een fors postuur. Hij zag er op de een of andere manier typisch Duits uit en was wat Thomas betrof de tweede hoofdschuldige aan dit hele drama. Want het visje had natuurlijk niet dood mogen gaan, niet op deze avond. Maar als dat dan toch zo moest zijn dan had deze Bernd ervoor moeten zorgen dat zoonlief geen getuige van deze hele toestand had hoeven zijn. Zat dat ventje nu maar ergens diep in Duitsland. Wat nu?
Thomas stak zijn rechterhand in de vissenkom en nam de goudvis uit het water. Je moest nog een behoorlijke kom van je hand trekken om het beestje, ondanks dat het ontegenzeggelijk dood was, niet te laten ontsnappen. En Thomas wilde het niet in de lego-kist of onder de klerenkast hebben, dan waren ze nog veel verder van huis. En toen sprak Thomas en zijn woorden waren voor Patrick bedoeld, niet voor Kitty: “Door de WC is niet zo’n goed idee. Daar kun je lelijke verstoppingen van krijgen. Wat jouw goudvis nodig heeft is een waardige goudvissenbegrafenis.” “Een goud-vis-sen-be-gra-fe-nis,” Patrick herhaalde het zeven lettergrepige woord langzaam en voor zichzelf. Maar het werkte. Bij iedere lettergreep werd het snikken een beetje minder. De eerste belangstelling was gewekt en op dat moment besloot Thomas door te pakken. Hij liep naar het ledikant en pakte Patrick met zijn vrije linkerhand bij de arm. “Jazeker, een goudvissenbegrafenis, kom mee, dan gaan we naar de keuken.”
In de keuken kieperde Thomas als eerste de familiedoos lucifers die naast het fornuis lag om op het aanrecht en daarna ging hij op zoek naar een paar bordstiften die altijd wel ergens onderin zijn Eastpack rondzwierven. Hij had geluk; een zwarte en een rode, beide niet uitgedroogd. “Ziezo de kist”, Thomas zette de luciferdoos op tafel en plaatste in zwart een groot kruis dwars door het logo van de supermarkt. Daarna liet hij Thomas de randen rood kleuren en vroeg aan Kitty om lijm en watten. Zij haalde het benodigde zonder commentaar, en dat beschouwde Thomas als een teken van instemming. Nu zou hij ook doorzetten. Uit de vuilnisbak kwamen de ijsstokjes die Thomas afspoelde en vervolgens tot een klein houten kruis lijmde. “Hoe heette je goudvis eigenlijk?” “Goldie”, het ventje zat -puntje van zijn tong uit zijn mond- nog steeds te kleuren. ”Ik had hem van mijn papa gekregen.” Thomas legde een demake-upje in het luciferdoosje en daar bovenop de vis. Het dode koude oog keek hem haast verwijtend aan, alsof het zich afvroeg waar al deze poespas voor nodig was. Thomas schoof het doosje dicht. Op het kruisje schreef hij met een fijn pennetje; Goldie-R.I.P.-2018. “Voor- of achtertuin?” “Achter,” bepaalde Kitty: ”Naast het schuurtje bij de rozenstruik. Dan heb je ook het licht van de schuur.” “Ik heb een schepje” riep Patrick. “Eerst je jas en je laarzen, je denkt toch niet dat je in je pyjama naar buten mag.”
Even later opende Kitty de achterdeur en vertrok de kleine stoet om Goldie naar diens laatste rustplaats te begeleiden. Patricks schepje was een onding maar een goudvis is geen labrador dus het gat was spoedig gedolven. Het is maar goed dat jouw moeder niet tien hoog op een flat woont, bedacht Thomas zich, want dan had de vis bij de sanseveria gemoeten en of dat nu allemaal in goede aarde zou zijn gevallen? Maar deze aarde was prima. Thomas legde de lucifersdoos in de koude grond, wijdde enkele woorden aan de vergankelijkheid van het leven en daarna gooiden zij samen het gat dicht. Patrick mocht het houten kruisje plaatsen en Thomas pakte zijn telefoon. “En nu?” wilde Patrick weten. “En nu muziek voor de overledene,” zei Thomas en hij zette op zijn telefoon een stukje van het Requiem van Frei Manuel Cardoso op, muziek hem zeer dierbaar. Patrick vond het ook mooi maar wel droevig. “Het is muziek speciaal gemaakt voor een dode. Het hoort droevig te zijn.” “En nu?” vroeg Patrick. “Nu is het klaar”, zei Thomas: “Kom mee we gaan naar binnen. Het begint koud te worden.” “Morgen vraag ik aan mijn papa een nieuwe vis voor in mijn kom”.
In de keuken werd Patrick uit zijn jas en laarzen geholpen terwijl hij zijn moeder verslag uitbracht over de gebeurtenissen buiten. “En Tom heeft muziek voor Goldie gespeeld een echt ré-kwiem.” En daar zat hij opeens te gapen en te knikkebollen op zijn moeders schoot. Kitty gaf Thomas een knipoog en droeg haar zoon naar boven. Thomas installeerde zich ten tweede male op het Ikea bankje, er zat volgens hem geen slaapbankje onder. Het ding zat van zichzelf beroerd en Kitty was in een mum van tijd terug. “Hij slaapt,” zei zij glunderend: “Dat deed jij fantastisch!” Ze schoof naast Thomas op de bank en wilde hem een bedankzoen op zijn wang geven maar Thomas trok net zijn hoofd schuin en de kus belandde in zijn hals, waar hij, ook al omdat hij langer aanhield dan de obligate bedankzoen, meteen een geheel andere lading kreeg. “He he toch nog het rijk alleen”, fluisterde Kitty in zijn oor. Thomas trok haar tegen zijn linkerzij aan, terwijl zijn schuin getrokken oog langs de wijzerplaat van de klok boven zijn hoofd gleed. Het was precies één minuut over acht.